Hilda Verwey-Jonker

De Eindhovense oorlogsperiode





Hilda Verwey—Jonker Goes, 20 mei 1908 - Utrecht, 23 juni 2004
Lid SDAP (Sociaal-Democratische Arbeiderspartij), vanaf 1927 en levenslang PvdA lid
Tekening gebaseerd op foto jaren dertig

Hilda Verwey—Jonker

Door de nieuwe betrekking van haar echtgenoot Evert Verwey bij het NatLab van Philips kwam het jonge gezin Verwey-Jonker in 1934 in Eindhoven wonen.
In 1968 verhuisden zij naar Utrecht. Beiden hebben een belangrijke stempel gedrukt op de periode voor, tijdens en na de oorlog. Door hun inzet zijn vele mensen geholpen en levens gered.
Over het leven van Hilda zijn diverse boeken geschreven, waaronder haar autobiografie en een biografie over haarzelf. Daarnaast zijn er vele interviews gepubliceerd en boeken verschenen over haar rol in het leven van anderen.
Zij heeft zich haar hele leven ingezet voor een betere sociale positie voor iedereen, met speciale aandacht voor de rol en emancipatie van vrouwen.
Deze webpagina beperkt zich tot de aanloop naar de oorlog en de oorlogsperiode van 1939 tot 1945, met de nadruk op wat er in Eindhoven gebeurde. Het is een bijzonder verhaal over een bijzonder echtpaar, dat in deze tijd ook nog vier jonge kinderen moest grootbrengen.

Haar hele leven heeft Hilda opgekomen voor de emancipatie van de vrouw. 

Verhuizing naar Eindhoven

Hilda Verwey-Jonker is in 1934 in Eindhoven komen wonen, haar man trad toen in dienst van het Philips Natuurkundig Laboratorium in Eindhoven. Beide kwamen uit een sociaal democratisch gezin.

"Ik kwam met mijn man en eerste kind in mei 1934 in Eindhoven wonen; aan de Leenderweg - was voor ons nogal wennen. Als socialist werd je niet zo gemakkelijk opgenomen in het Roomse Zuiden. De volksaard was ook zo anders. In Groningen waren de meeste socialisten ook geheelonthouders. In Eindhoven was het allemaal gemoedelijker; werd er op partijvergaderingen bier gedronken. Op het stadhuis ging het er nogal provinciaals aan toe; er werd niet grootschalig gedacht na de annexatie; de bijeengeraapte ambtenaren en het College van B&W waren nog teveel gewend kleinschalig te denken en te handelen; niet zo gericht naar een stad in groei. Ik vond het een heel vreemde situatie".

Kentering, 2e jaargang n° 3, 1925
Bond van Sociaal-Democratische Studentenclubs

Zowel Evert Verwey als Hilda geloofden in het socialisme, hetgeen ze van hun ouders hebben meegekregen. Het is een sociale opstelling ten aanzien van de medemens die nog versterkt en verdiept werd door de ervaringen in de crisistijd van de dertiger jaren en tijdens de tweede wereldoorlog en daarna.

Hilda ontmoette op 19-jarige leeftijd Evert Verwey. Ze waren samen aanwezig op het 5e congres van de Sociaal-Democratische Studentenclubs, dat in het kamphuis van de AJC op de Paasheuvel te Vierhouten werd gehouden. Beiden gaven zich op voor de redactie van het blad Kentering: maandblad van den Bond van Sociaal-Democratische Studentenclubs. Het was toen april 1928.

Hilda volgde na haar hbs van 1926 tot 1928 een universitaire studie Nederlands recht in Leiden, haalde haar kandidaatsexamen, maar koos vervolgens van 1929 tot 1934 voor een totaal nieuwe studie: sociologie in Amsterdam. Ze zou als eerste vrouw afstuderen in de sociologie. Daarna zou ze nog vele malen de weg banen voor andere vrouwen. Evert studeerde in Amsterdam af in de scheikunde.

Ze trouwden op 9 juli 1930 en kregen vier kinderen: twee zoons en twee dochters.

Voor een getrouwde vrouw was het in die tijd niet eenvoudig om een geaccepteerde baan te krijgen; alleen de politiek, journalistiek en wetenschappelijk onderzoek boden die mogelijkheden.

S.D.A.P. affiche uit 1925 tegen het beleid van Colijn. 

In de Eindhovense gemeenteraad

In 1934 werd Hilda direct actief bij de plaatselijke SDAP.
Op 3 september 1935 werd zij benoemd als enige vrouw in de Eindhovense gemeenteraad — niet als de eerste. De gemeenteraad en het college van B&W werden volledig gedomineerd door een katholieke machtspositie. De Roomsch-Katholieke Staatspartij had met 24 zetels 61% van de stemmen en daarmee de absolute macht. Alle voorstellen van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), met 18% van de stemmen en slechts 6 zetels, werden afgewezen. "Een voorstel van Verwey-Jonker om de gemeente in 1935 te laten investeren in de bouw van arbeiderswoningen was kansloos. Zeer frustrerend, was haar oordeel." Na vier jaar werd ze herkozen bij de gemeenteraadsverkiezingen van 14 juni 1939. Zij bleef in functie tot 1 september 1941. Een verordening die op 12 augustus 1941 op last van rijkscommissaris Seyss-Inquart gepubliceerd werd, schafte vervolgens de gemeenteraden en de provinciale staten af, alsmede alle gemeentelijke en provinciale commissies. Dat hield tegelijkertijd in dat er voortaan geen verkiezingen meer nodig zouden zijn. De wethouders in de gemeenten mochten onder die naam in functie blijven, maar uitsluitend als medewerkers van de burgemeester. In Eindhoven werd op 1 februari 1942 de NSB-burgemeester dr. H.A. Pulles aangesteld, een veearts die ook werkzaam was bij het slachthuis. Een paar maanden later werden ook de wethouders ingewisseld door NSB'ers.
De politieke macht, die machteloos zijn zonder de Duitse bezetters, is nu in handen een klein groep NSB-ers, die in 1939 1514 stemmen kreeg van de 110.000 inwoners, z'n 40.000 stemgerechten.

Oude stadhuis in Eindhoven rondom 1940, Hilda Verwey-Jonker is groots in Eindhoven. 

Netwerk in Eindhoven

Inmiddels had Hilda wel een breed netwerk in Eindhoven opgebouwd. "In Eindhoven leerde ze dat zaken ook informeel en in achterkamertjes te regelen waren. Dat contrasteerde met de stijl in de SDAP, die in de jaren dertig meer op open confrontaties was gericht. Zo leerde Hilda Verwey-Jonker van de katholieken dat het soms effectiever was verschillen te overbruggen in plaats van aan te scherpen. Het was een ervaring die haar later goed van pas zou komen", aldus het proefschrift van Margit van der Steen: Drift en koers. De levens van Hilda Verwey-Jonker (1908-2004).

De radiogids; officieel orgaan van de Vereeniging van Arbeiders-Radio-Amateurs (VARA), jrg 8, 1933, no. 2, 11-11-1933
11-11-1933

Arbeiders-Radio-Amateurs (VARA)

In haar verzet tegen het opkomende fascisme was ze al veel eerder actief, eerst door middel van publicaties of vele radiopraatjes voor de VARA. In vooroorlogse  radiogidsen van de VARA zijn diverse aankondigingen van radio toespraken van Hilda terug te vinden. In oktober 1933, nadat Hitler de macht heeft gegrepen in Duitsland houdt ze in de ochtenduren om 6.40 uur, een  20 minuten durende voordracht over "het fascisme en de moeilijkheden bij de geboorte van de Socialistische maatschappij". In november van dat jaar over "de vrouw en de ontwapeningsgedachte. In 1939 zijn haar betogen nog te horen.

De biografie over Hilda Drift en Koers, pagina's 139 -1941  gaat hier dieper op in over de onmacht om het fascisme te bestrijden. Heden ten dage kan je dezelfde vragen stellen over het opkomende populisme?
De biograve schrijft: "Nadat Verwey-Jonker eerst geprobeerd had vat te krijgen op de ‘neutrale mens’ om die voor afglijden naar het fascisme te behoeden, analyseerde ze in 1937 de psychologie van vrouwen die voor het nationaalsocialisme kozen. Fascisten stelden vrouwen niet gelijk aan mannen en gebruikten die al naar gelang het de NSDAP goed uitkwam.
Eerst moesten ze terug naar huis en haard. Toen ze nodig waren voor de oorlogsvoorbereidingen, moesten ze juist weer terug naar de arbeidsmarkt. Bovenal moesten vrouwen veel en bij voorkeur ‘raszuivere’ kinderen baren. Waarom dan toch hadden vrijwel evenveel vrouwen als mannen voor Hitler gekozen? Dat kon niet alleen aan goede propaganda liggen. Er moest meer aan de hand zijn. Daarvoor greep Hilda Verwey-Jonker naar de psychologie. Politiek was verbonden met emoties. Hilda Verwey-Jonker: ‘Men kiest een partij in het algemeen minder uit verstandsoverwegingen dan wel als gevolg van zijn temperament. En zeker geldt dit hier, in de eerste plaats omdat het vrouwen betreft, in de tweede plaats omdat het nationaalsocialisme bij uitstek op het temperament een beroep doet. ’ Vrouwen stemden voor nieuw elan, voor een leider en hoopten op maatschappelijke verbetering. Nationaalsocialistische kiezeressen zochten in de eerste plaats verbinding en solidariteit. Het was geen toeval dat Hitler naar verhouding minder katholieke vrouwen trof; zij hadden meer binding met de kerk.  

Hoe graag Verwey-Jonker ook medestanders voor het socialisme wilde winnen, ze ging niet mee in de verheerlijking van huwelijk en moederschap. Op dit punt kwamen de idealen van de fascisten verontrustend dicht bij wat ze in het katholieke Eindhoven al als confronterend had ervaren: de gedachte dat vrouwen thuis in het gezin hoorden. Ze had zich daar ingezet om de verkoop van voorbehoedmiddelen veilig te stellen. Hoe moest ze dat verbinden met het feit dat er vrouwen waren die het eervol vonden veel kinderen te krijgen?
Waar de nationaalsocialisten wel in staat waren deze seksespecifieke sentimenten uit te buiten, stonden de sociaaldemocraten, Verwey-Jonker incluis, met lege handen. Verwey-Jonker kwam niet verder dan de hoop uit te spreken dat Duitse vrouwen de betovering van de leer zouden ontgroeien en langzaam gingen beseffen wat leven in vrijheid zou kunnen betekenen: ‘de vrijheid van denken en van stemmen, de vrijheid van arbeidskeuze en van eigen zelfstandige ontwikkeling’.61 Hoewel de analyses over de aantrekkingskracht van
het fascisme van goed psychologisch inzicht getuigden, was de strijd tegen de neutrale mens en de onpolitieke vrouw niet te voeren met en binnen een partij als de SDAP. Terwijl Verwey-Jonker aan mentaliteit en idealen dacht, discussieerde de partij vooral over wapens en oorlogskredieten. (citaat pagina 141)


Tekening op basis van een foto Hilda Verwey-Jonker

Praktische hulp

Hilda Verwey: "Ik moet eerlijk zeggen dat ik in het begin helemaal het verschil niet wist tussen politieke vluchtelingen en Joodse vluchtelingen. De anti-Joodse houding van Hitler was nog niet zo sterk, hij richtte zich eerder tegen socialisten en communisten. Wij hadden dus aanvankelijk vooral te maken met politieke vluchtelingen en daar zal best eens een Jood tussen gezeten hebben, maar dat wist je gewoon niet. In het begin waren er gewoon immigranten, Joden en niet-Joden."

In 1939 startte haar praktische hulp bij de ondersteuning van vluchtelingen uit vooral Duitsland en Oostenrijk.

In Eindhoven was er een apart communistisch netwerk dat sinds 1933 politieke vluchtelingen opving. Martha Soboll, zelf Duitse, was betrokken bij de Nederlandse Rode Hulp. Haar huis fungeerde als een doorgangswoning voor socialistische en vooral communistische vluchtelingen. Er zijn geen aanwijzingen dat beide dames met elkaar contact hadden. De communisten en social democraten hadden weinig onderling contact.

Het Dommelhuis & Stichting Het Dommelhuis
1939 - 1940

Lees ook https://eindhoven4044.nl/15/Dommelhuis.html


Zo'n honderd jongens en 12 stafleden voor het Dommelhuis in Eindhoven
 In het midden zit waarschijnlijk mejuffrouw Bijvoet, aangesteld als directrice. Bovenste rij staat als 2e mej. H. Peeks
"Van de ongeveer tweehonderd jongens die in het Dommelhuis hebben gezeten zijn er ongeveer honderd voor het uitbreken van de oorlog naar veiliger oorden verder gereisd. Van de resterende honderd is ongeveer de helft omgekomen," zegt Verwey-Jonker in 1988 in haar verschenen autobiografie.

Dommelhuis

Image Description

Internationale Duitse kinderhulp

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog verleende de Engelse regering een inreisvisum aan tienduizend Joodse kinderen uit Duitsland, Oostenrijk en het bezette deel van Tsjechoslowakije. Om hen weg te halen werden de 'Kindertransporte' georganiseerd. De meesten van de kinderen reisden rechtstreeks naar Engeland. Hun verblijf in een van de vijftig Nederlandse opvanghuizen was soms beperkt tot de duur van de doorreis, maar duurde soms langer. Sommigen hadden de pech om in Westerbork terecht te komen, dat in eerste instantie in 1939 een vluchtelingenkamp was en na de Duitse bezetting overging in een doorgangs- of gevangenkamp.
In het voorjaar van 1940 werd het steeds moeilijker om Engeland binnen te komen, en na de Duitse inval was dit helemaal onmogelijk.

In het Eindhovense Dommelhuis konden de kinderen wel blijven. De eerste vluchtelingenkinderen kwamen hier op 4 januari 1939 aan. Het waren allemaal jongens. Er waren 150 bedden beschikbaar. Op 1 maart 1940 werd de opvang gesloten: alle jongens gingen toen naar de Westersingel in Rotterdam.

Laura Marks
Na de oorlog vertrok zij naar Canada. Zij en haar man dr. A.W. Schippers vormden de redactie van de Nederlandse Courant voor Canada. Zij schreef haar artikelen onder de naam L. Schippers.

Laura Marks 

De Philips-directiesecretaresse Laura Marks nam, vrijwel direct in de dagen nadat de Kristallnacht (de nacht van 9 op 10 november 1938 in nazi-Duitsland) had plaatsgevonden, het initiatief om Joodse kinderen op te vangen in Eindhoven. Hilda Verwey-Jonker sloot zich onmiddellijk aan toen er een Eindhovense afdeling van het landelijke Kindercomité werd opgericht.

Laura Marks zette zich actief in voor de landelijke R.K. Vredesbond. Bij deze bond was zij benoemd tot commissaris voor jeugdaangelegenheden. Zij verzorgde, net zoals Hilda, radiopraatjes, maar dan voor de katholieke omroep. 

Laura Marks werd geboren in Eindhoven. Haar vader, C.W.H. Marks, was slager met een winkel in de Sint Rochusstraat 34. Hij was ook gemeenteraadslid voor de R.K. Staatspartij. Laura was na haar gymnasiumopleiding in 1933 bij Philips gaan werken als stenotypiste en kwam spoedig daarna op het directiesecretariaat te werken. Zij kende zowel de oorspronkelijke katholieke Brabantse Eindhovenaren als de belangrijke 'import-bewoners' die bij de Philipstop werkten.

Daarom kon zij ook plaatselijke prominenten van uiteenlopende politieke signatuur en confessie uitnodigen. Dit waren onder andere de voorzitter van de RKSP, de heer P.N.L. Staal, tevens onderdirecteur bij N.V. Philips, de linkse socialist dr. Voogd en SDAP lid ir. Van der Berg, werkzaam als directieleden van Philips. Ook Jeanne van der Molen, bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Huisvrouwen, had ze gevraagd.

Laura regelde bij Philips, via haar contacten het leegstaande Dommelhuis. Dit gebouw werd door Philips voor de symbolische prijs van één gulden verhuurd aan het plaatselijke Kindercomité in Eindhoven.

 De eerste vergaderingen werden ook gehouden in Hilda's woonkamer. Hoewel Hilda Verwey-Jonker later zei over haar rol "alleen maar een lid van het comité" te zijn geweest, vormde ze volgens de Joodse jongens Fred Schwarz en Dan Kampelmacher 'de ziel' en de 'stuwende kracht' van het Dommelhuis.

Ingang Dommelhuis

Het Dommelhuis

Het gebouw zelf was in de jaren twintig door Philips gebouwd voor de huisvesting van ongehuwde mannelijke werknemers. Door de economische crisis in de jaren dertig is het gebouw nooit in gebruik genomen.

De Philipskantine zorgde voor warme maaltijden voor de ruim tweehonderd jongens - tussen de twaalf en achttien jaar - die vanaf 4 januari 1939 tot februari 1940 voor langere of kortere tijd in het Dommelhuis opgevangen werden. Er waren 150 slaapplaatsen; de stapelbedden en het andere meubilair werden door het ministerie van Defensie geleverd.

Het initiatief van het Kindercomité nam later een vaste vorm aan als stichting met een dagelijks bestuur. De voorzitter was advocaat mr. J.J.A. van der Putt, de secretaris was Hilda Verwey-Jonker, gemeenteraadslid voor de SDAP en de penningmeester was de heer M.A. Adolfs, directeur van de Nederlandse Handelsmaatschappij. Waarschijnlijk was P.N.L. Staal ook bestuurslid.

Het bestuur nam drie mensen in dienst: de heer Van Brunschot, een padvinder en werkloze gymnastiekleraar en mejuffrouw Henny Peeks, die werd aangesteld als leidster van de huishouding en de medische dienst, en onderwijzeres mejuffrouw Bijvoet, die de directie van het Dommelhuis op zich nam. Verder waren ook Abraham Noach, de voorzitter van de Joodsche Gemeente, en zijn vrouw betrokken, evenals rabbijn L. Frank.

Daarnaast werden er diverse mensen ingehuurd als docent en werden er extra ruimtes gehuurd voor de lessen. Er waren zeker zo'n twintig vrijwilligers actief. De echtgenote van Van der Putt was destijds leidster van het Hulpcomité voor Joodsche Kinderen te Eindhoven. 

Dommelhuis, Jonckbloetlaan 13 Eindhoven 1939

Werving met woonadres Hilda Verwey-Jonker

Dommelhuis jongens vormen een voetbalteam, zomer 1939
Frits Schwarz gaat zelfs in een elftal van PSV voetballen
Foto : https://www.dokin.nl/refugee_homes/eindhoven-dommelhuis

Hilda over de opstart problemen in het Dommelhuis

Hilda Verwey-Jonker vertelt later over de start van het Dommelhuis: “Nou, sommige jongens waren trouwens ook wel boos als ze aankwamen, omdat ze meteen naar het Sportfondsenbad moesten. Dat had een of andere gemeenteambtenaar bedacht. Die kinderen waren boos omdat we dachten dat ze zo vuil zouden zijn. Overigens was dat eerste transport een grote bende, omdat niemand ons verteld had dat er alleen maar jongens zouden komen. Wij hadden gedacht aan kleine kinderen; we hadden zelfs allemaal van die kinderbedjes. Maar er kwamen allemaal grote jongens tussen de 13 en 18. Alleen maar jongens, terwijl we twee aparte afdelingen hadden ingericht! En ja, het eerste wat je dan bij zo'n groep nodig hebt, is mannelijke leiding, hè. Dus toen kregen we een werkloze gymnastiekleraar, een padvinder, de 'hopman'. Zo kwam er toch een beetje een mannelijk element in. Hij was gewend aan de omgang met jongens van die leeftijd en hij introduceerde direct wandeltochten en buitensporten, zodat ze niet de hele dag in huis rondhingen. Want verder waren er een vrouwelijke directrice en vrouwelijke leidsters.

Joods brood

Problemen rondom Joods eten

Vanuit orthodox-joodse organisaties was er kritiek dat men het huis "niet Joods genoeg" vond en dat er soms ook niet-Joodse jongens werden toegelaten. Ons comité had maar twee joodse leden, Abraham Noach (procuratiehouder bij Philips) en zijn vrouw Ester Grietje Cohen, maar die brachten het echte joodse element er ook niet in. Beide zijn tijdens de Duitse bezetting door de nazi's vermoord.
Hilda schrijft verder; "We hebben in het begin wat dat betreft ook wel fouten gemaakt. Wat wist ik nou van koosjer eten? Pas later werd dat goed geregeld, het koosjere eten. Hoewel lang niet alle jongens van huis uit gewend waren om koosjer te eten.”
Het bleek dat er een twintigtal jongens bij was dat gewend was koosjer te eten en dan ook weigerde om het eten van de Philips kantine aan te raken. De Noach's vonden de oplossing: in het Rijks Krankzinnigen Gesticht (RKG)  werd voor de Joodse verpleegden koosjer gekookt en het bleek mogelijk een beperkt aantal maaltijden van daaruit te betrekken. Deze werden per bakfiets door een van de jongens gehaald. Nadien zijn in het Dommelhuis ook koosjer maaltijden zelf klaar gemaakt.

Dommelhuisjongeren, voorjaar / zomer 1939
Tekening op basis van foto © particuliere collectie Maarten Verwey

Hilda's rol in het Dommelhuis

Hilda was als secretaris dag en nacht bezig van alles te regelen rondom de bestuurlijke kant van het gebouw maar vooral ook met de zorg voor de jongeren. 
Het werd Hilda's taak om alle jongens te interviewen en samen met hen te bepalen wat we verder aan scholing en opleiding voor hen konden doen. Bijna voor iedere jongen maakte zij een plan op maat voor zijn toekomst.

Hilda kreeg door deze zorg op maat ook goede, en later bleek betrouwbare, contacten in Eindhoven: zowel op het gemeentehuis als bij particulieren en het bedrijfsleven.

Een belangrijke ontdekking was dat ze met een administratieve aanpassing en een handtekening de status van illegaal kon omzetten in een legale status, waardoor velen van de jongere weer verder kon reizen naar een ander land. Ook ambtenaren  van de gemeente Eindhoven werkte mee om minder de bureaucratische regels  toe te passen. De oplossing was dat ze gewoon op het bevolkingsregister werden ingeschreven met weglating van dat illegaal.

Later zou ze ook zeggen dat haar beheersing van het Duits door het intensieve contact met deze jongeren is geperfectioneerd.

Erwin (Dan) Kampelmacher spraak tijdens de afscheidavond.
tekening op basis van een foto op een vals persoonsbewijs 1942/1943
Bron : https://joodseonderduikersinzeist.nl/eikenlaan-14/

Sluiting Dommelhuis

Een feestelijke avond met veel genodigden en nog een klein groepje jongens. Namens de jongens sprak de 19-jarige Erwin (Dan) Kampelmacher het openingswoord. „Wij gaan het Dommelhuis verlaten", zo zei hij: „Het gebouw zal blijven staan en de Dommel zal blijven stromen, maar wij zullen in alle richtingen uiteengaan naar een onzekere toekomst." Hij bedankte iedereen die met steun had geholpen hun zielsevenwicht te hervinden: het comité, het personeel en speciaal mevr. drs. Verwey. Zij allen hadden samengewerkt om het verblijf van de jongens in Eindhoven zo te maken dat hij hier terecht het citaat uit Goethe's Faust mocht aanhalen: „Hier bin ich Mensch, hier darf ich's sein." [Hier ben ik mens, hier mag ik zijn].

Over Hilda zei hij: „Een vrouw die zoveel voor ons allemaal heeft gedaan dat het niet in woorden kan worden uitgedrukt." Hij was toen een Joodse vluchteling. In 1971 werd hij emeritus hoogleraar prof. dr. E.H. (Dan) Kampelmacher in Wageningen; hij heeft een belangrijke rol gespeeld in het salmonella-onderzoek. Hij sprak ook op haar begrafenis op 30 juni 2004.



Erwin (Dan) Kampelmacher schreef diverse boeken, onder meer Gevecht om te overleven - Mijn diaspora na de Anschluss.

Zowel de Eindhovensche en Meierijsche Courant als het Nieuw Israelietisch weekblad schreven een verslag van de avond.

Fred en Frits Schwarz

Fred en Frits Schwarz bij de familie Verwey

Na de sluiting van het Dommelhuis bleef een vijftal jongens in Eindhoven. Ze hadden onderdak en werk, vaak geregeld door Hilda. Fred Schwarz werkte op de Twekafabriek van de Joodse ondernemer De Heer en ook zijn oudere broer Frits had werk en woonde tijdelijk bij de familie Verwey.

Hilda en Evert had veel jongens thuis ontvangen. Fred schrijft erover in zijn boek: "Vandaag was ik voor de lunch en het avondeten bij de familie Verwey uitgenodigd. Het was erg gezellig. Meneer Verwey is een boom van een vent, altijd vriendelijk en in voor een grapje; trouwens, ook met hun jongens, Maarten van 7 en Ejo van 5, kan ik goed opschieten. Nadat de jongens naar bed waren gebracht, vertelde meneer dat Philips een laboratorium heeft opgezet in Bloemendaal, om daar in geval van oorlog achter de waterlinie te kunnen doorwerken. Er bestaat een waarschuwingssysteem voor bepaalde leden van de staf, die in geval van nood met hun gezin naar het westen van Nederland moeten verhuizen. Aangezien dat ook voor Verwey geldt, hadden ze zich voorgesteld Frits en mij mee te nemen, als wij dat willen tenminste. Natuurlijk zeiden we ja. We willen graag mee naar Noordwijk, waar familie van mevrouw een zomerhuis heeft dat tot onze beschikking staat."

In april 1940 was de eerste Philips-evacuatie, op 8 mei '40 de tweede. De familie Verwey kreeg de opdracht zich in te schepen naar Groot-Brittannië, maar dat lukte hun niet. Hierdoor bleven zij en o.a. Aart van Wijk net als vele andere kaderleden van Philips, noodgedwongen in Nederland achter. Ook Fred en Frits Schwarz gingen een ongewisse toekomst tegemoet, hetgeen uitstekend door Fred beschreven is het boek "Treinen op dood spoor" .

De Nederlandse Unie

juli 1940 -  december 1941
lees alles over de Eindhovense Unie op:
https://eindhoven4044.nl/6/unie.html

Wegens colportageverbod "De Unie" hier verkrijgbaar à 5 cent.
Meer informatie over Eindhoven en de Nederlandsche Unie: https://eindhoven4044.nl/6/unie.html

Deelname aan de Unie

Hilda Verwey-Jonker werd, samen met Evert, lid van de Nederlandse Unie, zoals velen in Nederland. In Eindhoven werden zo'n 10.000 personen lid van de Unie. Binnen de SDAP was er grote verdeeldheid of men de leden moest oproepen om aan de Unie deel te nemen. De katholieke RKSP was daar duidelijker in en riep haar leden op om lid te worden van de Unie.

Het was een massabeweging die toestemming kreeg van de Duitse bezetter om te bestaan. De Unie hoopte de Nederlandse cultuur te behouden en een alternatief te bieden om te voorkomen dat de NSB alle macht zou grijpen. De Nederlandsche Unie scheen voor velen de enige kans om een zekere mate van onafhankelijkheid te behouden tegenover de dreigende Duitse en nazistische invloed. Het was een wensgedachte, want de Duitse bezetter bepaalde in toenemende mate de bewegingsruimte van de Unie en verbood steeds meer wervingsmiddelen.
In Eindhoven was het enthousiasme voor de Unie van korte duur, ondanks een succesvolle startbijeenkomst van 5000 personen die bijeenkwamen op 10 augustus 1940. Vele duizenden luisterden naar de redevoeringen. Ook Frits Philips stond in de menigte. Hij blikte later terug op het gevoel dat bij hem ontstond: "Ja, wij moeten samen blijven, wij moeten ons als Nederlanders aan elkaar vasthouden."

De Eindhovense afdeling stelde zich al snel onafhankelijk op ten opzichte van de centrale leiding. De landelijk uitgesproken steun voor Winterhulp, een mantelorganisatie van de NSB, zorgde in november 1940 al voor flinke discussies en werd in Eindhoven niet ondersteund.

Alle namen actieve Eindhovense Unie-leden op:
https://eindhoven4044.nl/6/unie.html

De unie als tussenstation

Evert Verwey zei onomwonden dat het blad van de Unie 'ontzettend gezwam' was, dat zo geschreven moest worden 'dat het nog net door de Duitsers geaccepteerd werd'. (Bron: proefschrift Drift en koers, pagina 154).

Evert en Hilda zijn maar voor een korte periode lid geweest van de Unie, van oktober 1940 tot 19 augustus 1941. Hilda is wel een half jaar lid geweest van de plaatselijke raad. Haar deelname aan deze raad heeft ze waarschijnlijk niet als van belang gezien; ze heeft hier nooit ruchtbaarheid aan gegeven. In een interview met Frans Dekkers zegt ze: "Mijn man en ik zijn toen even lid geworden van de Nederlandse Unie, in de hoop dat die de NSB de wind uit de zeilen zou nemen. Maar toen we merkten dat de Unie wel wat te ver ging in haar streven om de bezetter ter wille te zijn, hebben we snel bedankt."

Na de bevrijding werd er niet over de Unie gepraat; in RK kringen werd het gezien als een "zonde", voor anderen was het een misstap. 

In dit plaatselijke Uniebestuur zaten voornamelijk topkaderleden van Philips. Bijna de helft van het bestuur raakte later op een of andere manier betrokken bij het Eindhovense verzet. De Verweys wisten hierdoor wie te vertrouwen was.

Hoewel de Duitse bezetter de Unie had toegestaan, hadden zij waarschijnlijk het succes ervan onderschat. De Unie was een zeer professionele organisatie, die ieder propagandamiddel inzette om leden te werven en vooral om een abonnement op het blad De Unie te slijten.








Verzet in de oorlogsjaren 

1940 - 1944

Tekening naar een foto van Hilda uit februari 1945, gemaakt tijdens het bezoek van een delegatie uit het bevrijde Zuid-Nederland aan H.M. Koningin Wilhelmina.

Hilda en Evert in verzet

Zelf vond ze dat ze te weinig had gedaan. Maar ze was wel de schakel tussen de verschillende mensen en verzetsgroepen, regelde persoonsbewijzen, bonnen en onderduikadressen.
Vele keken toe maar Hilda niet...Daarnaast had ze

Tot een van de eerste kleine plaatselijke verzetskernen in Eindhoven behoort mevrouw Hilda Verwey-Jonker: 'Samen met mijn man Evert Verwey maakte ik deel uit van een verzetsgroep die vanuit het Natuurkundig Laboratorium van Philips werd geleid door ing. P. H.K. G. Cornelius, een naaste medewerker van mijn man.
Ik rolde er bij toeval in. Omdat ik goed bekend was op het stadhuis vroeg Peter Cornelius me om er een gemeentestempel te stelen. Die had de groep [Aart van Wijk, Nico Voorhoeve, Jan Hoekstra ] nodig voor het vervalsen van identiteitsbewijzen. Ik bleek een slechte dievegge te zijn. Toen ik met het stempel het stadhuis uitliep, werd ik teruggeroepen door een jonge ambtenaar. Ik dacht dat mijn hart het begaf. Die knaap had het gezien, maar bleek gelukkig niet fout te zijn. Sterker nog, hij zei: “Zonder een speciale inktsoort kunt U niets met het stempel doen.” Hij haalde daarvan een hele fles uit het magazijn. 

We hielpen in het begin vooral leden van de vakbeweging NVV, die zicht na de Duitse inval bedankt hadden als lid.

Als die in moeilijkheden kwamen en moesten we onderduiken regelen, we deden alles voor hen: onderduikadressen, vervalste identiteitsbewijzen, bonkaarten en geld. Dat laatste werd ons door het hoofd van Sociale Zaken van Philips, Arie Voorwinde, verstrekt. Als ik bij hem kwam vroeg hij alleen maar: "hoeveel heeft U nodig?”. En dat waren geen kleine bedragen hoor! Dan trok Arie een lade open en gaf me een pakje bankjes van duizend gulden. Dat Philips veel aan de oorlogsindustrie heeft verdiend, staat vast. Maar aan de andere kant gaven ze heel veel geld uit aan de illegaliteit.

Later hielpen we ook joden en iedereen die hulp nodig had. Het was vreselijk moeilijk om vooral voor joden onderduikadressen te vinden. Men was bang om ze in huis op te nemen. Soms lukte het met veel moeite. Zo wist ik een joods gezin bij een familie in de Stokroosstraat onder te brengen, en een joods meisje bij een belangrijk onderduikadres voor geallieerde piloten aan de Nicolaas Beetsstraat 41. Daar woonde Rien van Bruggen, een collega van mijn man. In het begin wisten we niet dat dit adres zo belangrijk was, er dus ook een verhoogd risico voor ontdekking bestond. Toen we dat wisten hebben we dat joodse meisje direct elders ondergebracht. Gelukkig maar, want korte tijd later is Rien van Bruggen als gevolg van verraad gearresteerd en later gefusilleerd.

Er zijn in die tijd ook veel ondergedoken joden verraden, niet alleen door NSB'ers, maar ook vanwege ordinaire burenruzies. "Ondanks alles hebben we veel mensen uit handen van de Duitsers kunnen redden."


Uit boek Frans Dekkers B&W: rond de tweede wereldoorlog in Groot-Eindhoven, uitg. 1992
ISBN 906265363 [ aangevuld met niet gepubliceerden transcripties van de interviews ]

Een voorbeeld van bevolkingsregister afdeling.
In Eindhoven was het een afgesloten gedeelte van het gemeentehuis.

Afdeling bevolking 

Door haar werkzaamheden voor de oorlog, voor het Dommelhuis, had ze al veel contacten met ambtenaren van de afdeling Bevolking. Zo wist zij wie goed was en wie niet. Ook had ze toen ontdekt de kracht van administratieve vervalsingen. 

Mevrouw Verwey-Jonker: 'In de eerste oorlogsjaren werkte ik aan een proefschrift over lage inkomens, waarvoor ik gegevens uit het bevolkingsregister nodig had. Van Elk, loco-secretaris en tegenstander van de NSB, regelde dat. Zodoende kreeg ik toegang tot het bevolkingsregister tijdens mijn promotieonderzoek naar armoede in Eindhoven, tussen september 1940 en december 1942. Ik kreeg een vertrouwd contact met J. J. (Jo) van der Spank, een ambtenaar van de afdeling Bevolking, die in 1942 zijn 25-jarig jubileum vierde. Deze boven alle verdenking staande persoon hielp mij met het aanbrengen van aanpassingen in de gezinskaarten.

Dit was voor onze verzetsgroep natuurlijk een lot uit de loterij. Met hulp van Van der Spank heb ik dan ook alle mogelijkheden benut. Zo zijn zo'n 1000 illegale personen, waaronder ook veel zogenaamde Philips-werkers die niets deden, als legaal ondergebracht in het gemeentelijk systeem.

Zo hebben we ook een hele familie bedacht. Het was heel gemakkelijk om onder één naam een hele familie neer te zetten die eigenlijk geen familie van elkaar was. Zo wisten we vooral Joodse kinderen veilig te stellen, onder de naam Molenaar. Die werden als kind op een bestaande persoonskaart bijgeschreven. Helemaal waterdicht was dit systeem niet, wij durfden deze kaarten niet naar Den Bosch en het centrale archief in Den Haag te sturen. We hebben er gelukkig nooit problemen mee gehad. Ook niet met het lichten van kaarten.'

Voorbeeld van adreskaart uit Eindhoven, met gefingeerde namen.

Problemen na de oorlog.


Ironisch genoeg wel na de oorlog, toen burgemeester Verdijk weer op het stadhuis terugkeerde en van onze activiteiten vernam. Hij maakte Jo van der Spank het verwijt dat we zo geknoeid hadden in het bevolkingsregister! Verdijk had kennelijk niet het besef dat we met dat “geknoei” in vier jaar heel veel mensen hebben kunnen redden. Een ordentelijk bevolkingsregister was bij zijn terugkeer meer waard dan ons illegale werk. Van der Spank kreeg van hem onmiddellijk opdracht er weer orde in aan te brengen. Dat werd een enorme klus omdat het ruim duizend vervalsingen betrof. Dan belde Van der Spank me vaak op met de vraag: "hoe hebben we die en die ook alweer onder een valse naam geregistreerd" of: "hoe heette die familie in werkelijkheid waar we dat joodse kind hebben bijgeschreven?" Van der Spank heeft er drie maanden aan gewerkt om de boel weer in orde te brengen.' Aldus Hilda Verwey-Jonker als ze dit vertelt aan Frans Dekkers voor zijn boek B&W.

Meer verzetsdaden rondom het bevolkingsregister 

Veel verzetsdaden rondom de Eindhovense bevolkingsregisters zijn voor elkaar geheim gebleven. Een opvallende struisvogelvisie kwam van het NSB-bestuur: als ze het zelf niet zagen, dan was het er ook niet.
De in april 1941 aangestelde NSB-secretaris Paro zei na de oorlog: "Het ontvreemden van persoonsbewijzen was vrijwel onmogelijk, zeker in groten getale. Dat kon men maar één keer doen, want het was allemaal geregistreerd. Er is mij ook geen geval van bekend, want dan had ik het geweten."

Oud-gemeenteambtenaar W. Maas lukte dit naar eigen zeggen echter wel: 'De textielfabrikant Ignatius de Haes zat in het verzet en had dringend blanco persoonsbewijzen nodig voor de illegaliteit. Omdat hij wist dat ik op de afdeling Bevolking werkte en betrouwbaar was, hoopte hij dat ik ze hem kon bezorgen, en dat is me gelukt. Op een dag haalde ik twintig persoonsbewijzen uit de brandkast en smokkelde deze na werktijd onder mijn jas het stadhuis uit. De vermissing zal ongetwijfeld opgemerkt zijn, want ze waren geregistreerd. Maar ik heb er niets meer van vernomen. Misschien dat ze het stil wilden houden.'

Ook de gemeentebode Sjef de Vries sloot zich eind 1942 aan bij de verzetsgroep Hoppenbrouwers/Van der Sanden. Sjef de Vries vertelt hierover in het B&W-boek: "De groep zocht een betrouwbaar contact op het stadhuis. Omdat ik als gemeentebode overal kon komen, heeft de ambtenaar De Haas, van de afdeling Personeelszaken, mij bij deze verzetsgroep aanbevolen en geïntroduceerd." Sjef hielp hen aan een aantal blanco persoonsbewijzen en de bijbehorende transparantzegels om Joden en onderduikers, na het vervalsen ervan, een andere identiteit te geven. De Vries vertelt: "Die stal ik verscheidene malen in de middagpauze als er niemand op de afdeling Bevolking was, uit een stalen ladekast die onafgesloten bleef, en verstopte die PB’s onder een traploper op het stadhuis. Na werktijd smokkelde ik die naar buiten en bezorgde ze op het huisadres van adjudant F. van den Broek aan de Harmoniestraat 17 in Eindhoven."

Johanna van Bruggen-van Moorsel vertelde in oktober 1979 aan Frans Dekkers: "Op het Eindhovense stadhuis kreeg ik ook veel medewerking van goede ambtenaren. Zo lichtte ik vaak de kaartenbak van het bevolkingsregister met behulp van ambtenaar A.H. van Rijsingen."

Onderduik advertentie 1942  voor Bep Denneboom
Hilda Verwey-Jonker plaats in 1942 een advertentie voor Hulp in de huishouding. Deze stond in: Algemeen Handelsblad 28-02-1942 

Bep Denneboom trouwfoto uit 1945

Bep Denneboom

Bep Denneboom groeide op in een Joods gezin in Zwolle. Toen de familie op transport moest, smeekten de twee oudste dochters hun ouders om onder te duiken. Op dat moment was Bep Denneboom zeventien jaar. Na lang wikken en wegen besloten de ouders dat niet te doen en hun jongste kind mee te nemen. Zij meenden dat de zevenjarige het nooit zou begrijpen dat ze haar in de steek zouden laten. Bep en haar zus Els doken onder en kwamen via omwegen in Eindhoven terecht, onder de zorg van Jakomina (Mien) Tinbergen.  Hilda verstrekte via haar contactrn valse identiteitspapieren. Ze kreeg werk als inwonende meid voor een gezin dat geen moment vermoedde dat ze joods was. Alleen dat gezin gaf haar vrij in het weekend, dat was onhandig. Daarna kwam Bep daarna in huis bij iemand die haar niet goed behandelde. Om haar op logische manier weg te krijgen, plaatste Hilda Verwey-Jonker een advertentie voor een hulp in de huishouding. Bep ‘solliciteerde’ en kwam vervolgens niet als onderduikster, maar als ‘bovenduikster’ in het gezin Verwey te werken. Onder de schuilnaam Miep Griep zorgde Bep Denneboom tot na de bevrijding voor het huishouden van de Verweys en overleefde zij de oorlog. Ook haar zus Els wist de oorlog te overleven.
Uitgebreid verhaal bij https://www.eindhoven4044.nl/11/Tinbergen.html

Bep Denneboom heeft er, samen met voormalig Dommelhuisjongen Robert Engel, voor gezorgd dat Hilda Verwey-Jonker op 18 maart 1987 de Yad Vashem onderscheiding kreeg.

Persoonsbewijs Hilda Verwey-Jonker

Persoonsbewijs Hilda Verwey-Jonker. Bron Drift en koers p. 153
(© Particuliere collectie Maarten Verwey)

Het complexe systeem van distributiebonnen, die vaak slechts beperkt geldig waren zonder de garantie dat de betreffende goederen ook daadwerkelijk verkrijgbaar waren. Daarnaast had men niet alleen bonnen nodig, maar ook een persoonsbewijs en een distributiestamkaart om de bonnen überhaupt te kunnen ontvangen.

Schuldgevoel is niet nodig.

In de oorlog heb ik natuurlijk ook wel wat gedaan, maar ik heb altijd het gevoel, dat we daar veel te laat mee begonnen zijn en dat we veel te weinig hebben kunnen doen. (...) Ik zat al hoog en breed in andere vormen van illegaal werk toen het tot ons doordrong, dat we ons uitgebreid met het onderduiken van joden moesten bezig houden. We hebben dus wel een paar mensen helpen redden, maar er zijn er ook nog een paar niet gered doordat we de zaak niet ernstig genoeg inzagen.

Toen Hilda voor het eerst kwam om joden met bonnen en geld te helpen, wilde het verzet haar zelfs verbieden zich te bemoeien met joden. Te gevaarlijk?
Daarin kwam pas langzamerhand verandering, vooral toen in 1943 geruchten over vernietigingskampen begonnen door te sijpelen.
Het zoeken naar onderduikadressen was uiterst risicovol en vergde mensenkennis. Het is niet bij benadering te zeggen hoeveel mensen Verwey-Jonker aan schuilplaatsen heeft geholpen. Mensen die haar uit deze periode kennen, kunnen geen inschatting maken.

Samenwerking met:
Wijtman-Vleer (samenwerking) :
 https://eindhoven4044.nl/50/WijtmanVleer.html
Mien Tinbergen (samenwerking): 
https://www.eindhoven4044.nl/11/Tinbergen.html
Jan Hoekstra (samenwerking) : 
https://www.eindhoven4044.nl/5/hoekstra.html (vrienden)
Onderstaande mensen hebben van Hilda (hoogst waarschijnlijk) steun ontvangen. 
Familie Kropf - Beckmann (SDAP kennis)
Bas Veth en Dina Veth-Slotboom helpen Joodse onderduikers (SDAP)
Familie Bakker over hun hulp aan Joodse onderduikers in Eindhoven (direct contact)

https://www.eindhoven4044.nl/8/Natlab.html (diverse contacten)

Image Description

Autobiografie

In haar autobiografie schreef ze dat ze in de oorlog ‘bijzonder tekort’ was geschoten en dat ze zich schaamde over de ontoereikendheid en het amateurisme van haar inzet. Dat probleem had het gehele verzet. In het begin gebruikte het onderduikersnetwerk L.O. nog de eigen namen, zodoende was Piet de Goede snel gevonden.
Een fanatiek groepje puberjongens, de OZO-club, had in 1941 zelfs lidmaatschapskaarten en demonstreerde in het openbaar. Een eenvoudige prooi voor de Duitse Sicherheitsdienst.

Dit veranderde deels in de zomer van 1942, toen alle Joden werden opgepakt. Na de april-meistaking in 1943 werd voor de meeste Nederlanders het ware gezicht van de nazi's duidelijk. Voor veel Joden, socialisten, communisten, homo's en vakbondsmensen was dit gevaar al jaren vooraf duidelijk.

dr. J. P. Slooff als hopman van een groep padvinders.
Zijn zoon bart staat naast hem

Steun van anderen

Hilda Verwey-Jonker schrijft in haar boek 'Er moet een vrouw in' op pagina 136: "Er waren enkele mensen die ons nooit in de steek lieten: de kinderarts van het Binnengasthuis, dr. J. P. Slooff. Hij zorgde ervoor dat ondergedoken Joodse vrouwen daar konden bevallen en er hun kinderen achterlaten totdat we een onderduikadres voor hen hadden gevonden. Hij bood ook aan bij eventuele sterfgevallen van onderduikers voor een fatsoenlijke begrafenis te zorgen. Ik heb daar nooit gebruik van hoeven te maken, maar ik denk dat het dan wel een roomse begrafenis geworden zou zijn."
Daarnaast moet ik de namen noemen van mensen, die altijd bereid waren om te helpen met oplossingen in de meest benarde omstandigheden: Koosje Marks en haar zuster Laura (Dommelhuis) , en  SDAP gemeenteraadslid Joh. Jansen uit Aalst.  Zonder hen zouden er veel meer ongelukken zijn gebeurd en meer mensen (joden en niet-joden) zijn gepakt. De samenwerking met hen leidde soms tot dwaze situaties. Zo is Evert een keer op een zomeravond toen alle mensen buiten in hun tuintjes zaten met Koosje Marks -die een opvallende 'blondine' was-achter op zijn fiets dwars door de stad gereden omdat er ergens snel moest worden ingegrepen. Ik weet niet meer hoeveel mensen mij van dit 'slippertje' op de hoogte kwamen stellen. Lastig te verklaren, 

Tuberculosesanatorium Dekkerswald in Groesbeek.

Onderduiken in TBC-sanatorium

Medio 1942 besloot Wilma Grünfeld-van Dam met haar man Hans onder te duiken. Een broer van een Parijse kennis was geneesheer-directeur van het tuberculosesanatorium Dekkerswald in Groesbeek. "Daar durfden de Duitsers niet naar binnen te gaan." Ze werden daar als nazorgpatiënten opgenomen. Wilma was in verwachting. Haar dochter Joyce werd op 28 februari 1943 in Mook geboren. Een van de patiënten ging naar de Duitse politie en vertelde dat in het sanatorium een Joods echtpaar net een baby had gekregen en dat een van de doktoren en de hoofdverpleegster bij de bevalling hadden geholpen. Het echtpaar Grünfeld moest vluchten en de baby Joyce achterlaten. De ondergrondse heeft Joyce ondergebracht bij Netty Jonkers, de dochter van een arts, die haar meenam naar Tiel toen ze naar haar ouders ging. De familie Jonkers droeg Joyce op handen en ze is daar de hele oorlog gebleven.

Via een van de patiënten uit Mook konden ze terecht bij de familie Bruinsma in Drachten. Om daar te komen hadden ze valse persoonsbewijzen nodig. Daarvoor moest HFL 500,- per stuk betaald worden. Voor de valse papieren moesten ze een naam kiezen. Het werd Verwey , de naam van Hilda Verwey-Jonker, die zij kende omdat ze haar kinderen Franse les had gegeven en vanwege het ondergrondse werk van Hilda. Dochtertje Joyce zag het echtpaar pas na de bevrijding terug.
Bron: pagina 43, onderzoek en verhalen in Phocas Kroon.

Hoek Frederiklaan en  De Jonghlaan

Bouwvakkersgezin

Ik heb eens een joods gezin, man, vrouw en dochter helpen onderbrengen in het huls van een Brabantse bouwvakker. Tussen de twee vrouwen ging het niet. Op een dag zei de Brabantse: de man en het kind kunnen blijven, de vrouw moet weg. Ik zocht een ander adres maar de man daar, was me te vol over de Duitse Wehrmacht. Toen ik dat vertelde zei de Brabantse vrouw: ‘Daar mag ze niet naartoe. Ik wil dat ze blijft.’ Terwijl ik wist dat die vrouw haar ontzettend op de zenuwen ging. Daar heb ik respect voor: mensen die zo’n gezin bij zich houden in zo’n klein huisje met al die spanningen. Een geweldig voorbeeld.
Bron Vrij Nederland, jrg 35, 1974, no. 16, 20-04-1974

Wisseltruc

Problemen oplossen

Het proefschrift 'Drift en koers' beschrijft het verhaal van een gezin met een onderduiker die de dochter des huizes zwanger had gemaakt. Een hevige ruzie was het gevolg. De vader van het meisje vond dat de onderduiker met zijn dochter moest trouwen. Verwey-Jonker werd erbij gehaald om een oplossing te vinden voor de problemen in dit voor haar onbekende gezin. De spanningen liepen zo hoog op dat beide mannen met elkaar op de vuist gingen. Verwey-Jonker wist hen echter tot bedaren te brengen. Zij overtuigde de vader ervan dat de jongeman op deze manier nooit een goede echtgenoot voor zijn dochter kon worden. In een gedwongen huwelijk zou zij immers niet gelukkig kunnen worden. Vervolgens werd afgesproken dat Verwey-Jonker zou proberen de onderduiker zo snel mogelijk elders onder te brengen. Op de terugweg naar huis kwam Verwey-Jonker de dokter tegen. De dokter vertelde haar over twee vrouwen die ondergedoken zaten op een boerderij buiten de stad. Zij moesten hard werken en kregen bijna niets te eten. De dokter vroeg Verwey-Jonker of zij geen ander onderduikadres voor deze dames wist. Dat wist zij wel... Nog diezelfde avond wisselden de jongeman en de vrouwen van onderduikadres. Hoe het met de jongeman is afgelopen, is niet bekend. Maar zoals in een sprookje was het hier verder eind goed, al goed. De twee onderduiksters namen de verzorging van de baby op zich en bleven nog lange tijd bij het gezin wonen, zodat de jonge moeder haar school kon afmaken. Maar het liep niet altijd goed af. Verwey-Jonker herinnerde zich tot op hoge leeftijd de beoordelingsfout die zij had gemaakt door twee kinderen op een onderduikadres te laten zitten, in plaats van hen onmiddellijk te laten weghalen. (Bron: Drift en koers, p. 159-160)

Robert Engel en Margot Rosenberger
tekening 1 augustus 1944
https://collecties.kampwesterbork.nl/werk/https%3A%2F%2Fdata.kampwesterbork.nl%2Fwork%2FTH0000019857

Zorg voor de Dommelhuisjongens

Ze hielp tijdens de oorlog vele voormalige Dommelhuisjongens onderduiken en zorgde voor persoonsbewijzen, geld en voedsel voor hen. Ze ging ook naar Westerbork om de Dommelhuisjongens op te zoeken in de periode 1940-1942 en onderhield contacten tussen onder anderen de gebroeders Schwarz en hun ouders. Een aantal Dommelhuisjongeren vond via J. Daams (onderdeel van de Westerweelgroep) in Eindhoven nog een vluchtweg naar Frankrijk.

Na de bevrijding ging ze op zoek naar Dommelhuisjongeren en vond Robert Engel in Westerbork, die erin was geslaagd om nooit op transport naar Duitsland te worden gestuurd.

Hilda kreeg het na de capitulatie voor elkaar dat Joodse vluchtelingen uit Duitsland, die vóór 1940 in Eindhoven door het Kindercomité waren opgevangen en als Rijksduitsers in de nazikampen terecht waren gekomen, naar ons land konden terugkeren.
Bron: Vrij Nederland, jrg 35, 1974, no. 16, 20-04-1974

Evert Verwey
Tekening n.a.v. de foto in Het vrije volk : democratisch-socialistisch dagblad, 24-09-1966

dr. E. J. W. (Evert) Verwey

Over het verzetswerk van haar echtgenoot Evert minder bekend. De combinatie van hun werkzaamheden, hun huwelijk en hun overtuiging zorgden ervoor dat mensen die iets nodig hadden of iets wilden regelen met elkaar in contact kwamen. Verder was het NatLab, waar Evert werkte, een grote verzetshaard in Eindhoven. Daar zaten de mensen die papieren konden vervalsen, chemische trucjes hadden om persoonsbewijzen te ontdoen van de J-stempel.

Evert werkte mee aan de oprichting van de Philips Rekenkamer in Kamp Vught. Om te proberen joodse werknemers te behoeden voor transport. Zo komt er een Schrijfkamer, een Tekenkamer en een Rekenkamer. Deze afdelingen zijn vooral bedoeld om mensen die meer gewend zijn om met hun hoofd dan met hun handen te werken, een veilige plek te bieden. Daaronder zijn wetenschappers, ambtenaren en kunstenaars. Zij krijgen vooral opdrachten van Philips in Eindhoven. Waar veel reken- en tekenwerk werd verricht, zoals door bombardement verbrande schema's te repareren, die echter voor de oorlogvoering niet van belang waren, en dat door het daarvoor noodzakelijke mondelinge contact de geïnterneerden in aanraking bracht met de bevriende buitenwereld.


Familie Verwey-Jonker in 1938.
Tekening op basis van foto © particuliere collectie Maarten Verwey

Verzetswerk een twee-eenheid. 

De jongste dochter Lydia Snuif–Verwey vertelde voorjaar 2026: "Vader en Moeder vormden in het verzetswerk een twee-eenheid. In sommige opzichten waren ze elkaars tegenpolen: maar ze hielden elkaar volstrekt in evenwicht: Moeder gedreven en impulsief; tegenover Vader: de bedachtzame strateeg, die niets deed, zonder daarvan de volle consequenties te overzien. Mijn vader heeft mijn moeder behoed voor onvoorzichtig handelen. Een gevleugeld woord bij hun was: stoppen, even stil staan en goed nadenken.
Een paar voorbeelden: Vader verscheurde resoluut het oorlogsdagboek van Moeder. “als je werkelijk opschrijft wat er gebeurt, dan breng je ons, en ook anderen in gevaar. En als je over koetjes en kalfjes schrijft, dan hoeft dat niet.” Anderzijds kon hij ook zeer meedenkend optreden: De advertentie in de krant voor een nieuwe hulp in de huishouding, met het doel de joodse Bep Denneboom in huis te nemen, kwam uit zijn gedachte koker.

Evert Verwey was zoals we weten in 1934 in dienst getreden van het Philips Natuurkundig Laboratorium in Eindhoven, waar hij meer werk verrichtte op het gebied van de colloïden. Daarnaast hield hij zich ook bezig met de eigenschappen van oxidische materialen. De Verwey-overgang in magnetiet is bijvoorbeeld naar hem vernoemd. In 1946 werd Verwey naast H.B.G. Casimir en Henne Rinia benoemd tot directeur van het NatLab.

In 1967 vonden zijn wetenschappelijke verdiensten, die in 1949 door het lidmaatschap van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) al erkenning gevonden hadden, hun bekroning in een eredoctoraat van de TH te Delft.

Nico Khan

Naast de onderduikers voor wie ze schuiladressen zocht, nam ze zelf ook af en toe mensen in huis op. Toen in de zomer van 1942 de definitieve Jodenvervolging werd ingezet, besloten de Verweys samen met goede vrienden (en Philips-collega's), de familie Hoekstra, ieder de zorg voor een klein Joods kind op zich te nemen. Joseph Khan werkte als ambtenaar bij het Bureau Arbeidsrecht en het gezin woonde aan de Pastoriestraat 87 (in 2017 afgebroken). De families Verwey en Hoekstra beloofden de ouders Khan zo lang mogelijk voor hun kinderen te zorgen. Sonja Khan kwam bij de Hoekstra's terecht en werd later voor haar eigen veiligheid elders ondergebracht.

De Verweys namen de zorg voor haar vierjarige broertje Nico Khan op zich. Nico had extra zorg nodig en is in feite nooit bij de Verweys in huis geweest. Kinderarts dr. Slooff heeft Nico in het ziekenhuis verzorgd. Later moest Nico in Friesland onderduiken; hij werd opgepakt, maar overleefde Theresienstadt en keerde ongedeerd terug, mede dankzij een financiële bijdrage van Philips van 35.000 gulden. Hun vader en moeder Khan en hun oudste broer en zus zijn echter in Auschwitz en Sobibor vermoord.

De ‘Heren Zeventien’ in Londen bij koningin Wilhelmina.

Het staatshoofd wenste te spreken met een afvaardiging uit het zuiden en wilde geïnformeerd worden over sociale problemen in bevrijd gebied. 

Deze foto van het bezoek van een delegatie uit het bevrijde Zuiden van Nederland aan H. M. Koningin Wilhelmina met naast haar Hilda Verwey-Jonker, werd op zondagmorgen 4 februari 1945 in Stubbings House (Maidenhead) niet ver van Londen gemaakt.

Zittend: geestelijke K.W.H.A. (Karel) Roncken (hoofdaalmoezenier van de Arbeid in het diocees Roermond), dr. L.J.M. Beel (KVP-minister-president van 3 juli 1946 tot 7 augustus 1948), de heer L.P. van Oorschot (toenmalig SDAP-wethouder en loco-burgemeester van Vlissingen), Koningin Wilhelmina, mevrouw H. Verwey-Jonker (SDAP, socioloog), ingenieur F. Wijffels van de Staatsmijnen (en naoorlogs minister van Sociale Zaken), professor F.J.Th. Rutten (hoogleraar psychologie in Nijmegen en in 1948 minister van Onderwijs), mr. G.W.M. Huysmans (Boerenleenbankdirecteur in Eindhoven en in februari 1945 benoemd tot minister van Financiën in het Londens kabinet, overleden in 1948).

Staand: de heer Lhoëst (papierfabrikant in Meerssen), de heer M.Ch.A.J.H. Hustinx (toenmalig burgemeester van Nijmegen en van 1945 tot 1946 lid van de Eerste Kamer), F.J. Hoogers (wethouder in Tilburg, voorzitter van het in het Zuiden heropgerichte Rooms-Katholiek Werkliedenverbond), jonkheer mr. A.F.C. de Casembroot (toenmalig burgemeester van Westkapelle, later commissaris van de Koningin in Zeeland), de heer F.P.O.M. Koch (voorzitter van de Kamer van Koophandel en Fabrieken in Zeeland), de heer A. de Roo (verzetsman, waarnemend burgemeester van Goes), de heer C.J.M. Mol (KVP, arts uit Etten-Leur, actief in het artsenverzet), mr. E. Sassen (toenmalig advocaat in Den Bosch, later werkzaam bij de Europese Gemeenschap), ir. F.J. Philips (Philips), dr. ir. N.A.J. Voorhoeve (Philips, Nationaal Steunfonds (NSF) en namens de gereformeerde kerken uit het Zuiden).
foto: https://beeldbankwo2.nl 

Voorzijde Stubbing House, de residentie van koningin Wilhelmina tijdens de Duitse bezetting.

Stubbings House 1

Het proefschrift "Drift en koers" beschrijft de reis naar Londen: "Begin 1945 naar Engeland reizen was geen sinecure. De leden van de delegatie gingen eerst naar Brussel, waar ze door een arts werden gekeurd. Overste Van Houten, verantwoordelijk voor de reis, over de verdere voorbereidingen: ‘Op een gegeven moment besliste ik dat het hele gezelschap dan maar gemilitariseerd moest worden. Ze kregen allemaal militaire rangen en uniformen. Beel bijvoorbeeld werd sergeant en anderen werden korporaal-ziekenverpleger of gewoon soldaat, maar spoedig kwam de Engelse militair die ik de taak had gegeven, voor de uitrusting zorg te dragen en het gezelschap de simpelste militaire gebruiken bij te brengen (ze moesten leren salueren en zo), bij me en zei dat het zo niet kon, ze zagen er te potsierlijk uit, “it is too awful,” werd me gezegd. Ik ben er toen toch in geslaagd hen als burgers te laten vertrekken.

De delegatie reisde met een overvol en bewapend troepenschip en werd begeleid door enkele torpedoboten. Na ruim een uur varen veroorzaakte een door de Duitsers afgevuurde V2 veel commotie, maar geen ongelukken. Iedereen probeerde gekleed en wel wat te slapen op de vaste banken. ’s Nachts ging het schip voor anker in de monding van de Theems; vanwege de vele mijnen was het te gevaarlijk in het donker verder te gaan. De volgende ochtend werd de reis per schip vervolgd en daarna per trein en auto naar het verblijf van de koningin in Maidenhead. Daar ontmoette de delegatie ‘een vriendelijke oude dame’, onmiskenbaar de koningin. De meeste delegatieleden verbleven in een hotel, voor Verwey-Jonker was een uitzondering gemaakt. "Zij mocht logeren in [een van] de slaapkamers van de koningin." Drift en koers, pagina 183-184.

vier stel fietsbanden uit Londen

Stubbings House 2

Over de foto;" Toen het gehele gezelschap vervolgens met de koningin werd gefotografeerd, liet zij van Oorschot en Hilda Verwey naast zich zitten de enige twee socialisten uit de groep. De koningin had vooral van Oorschots openhartigheid op prijs gesteld, ‘voor hem’, aldus Hilda Verwey, ‘had ze een duidelijke voorkeur. "

Nadat het merendeel van de delegatie terug was naar Nederland, bleef Verwey-Jonker in Engeland. Ze hield radiotoespraken op verzoek van Lou de Jong voor Radio Oranje, bezocht een kamp voor ondervoede kinderen en sprak met de koningin en met de demissionaire premier Gerbrandy over het probleem van de ‘opgedoken joden’. Volgens Hilda Verwey-Jonker zou de koningin in die gesprekken tot de conclusie zijn gekomen dat ‘“Auschwitz” de realiteit was en dat de verhalen over de ‘erge dingen’ die met Nederlandse joden waren gebeurd, klopten en dat de meesten van hen al waren vermoord. Bron: Drift en koers, pagina 185.

 De terugreis naar Nederland heeft ze niet gemaakt, zoals we gekomen waren, op een troepentransportschip, maar in een klein vliegtuig met een Nederlandse bemanning. 'Nou, majoor,' hoorde ik de piloot bij vertrek zeggen, 'u kunt mee, of de bagage van mevrouw Verwey.' De goede majoor is toen achtergebleven ter wille van mijn omvangrijke bagage: ik was er in geslaagd om vier stel fietsbanden te bemachtigen, onze dringendste behoefte op dat moment.

Koningin Wilhelmina
Een veel voorkomende vorm van lijdelijk verzet was het verspreiden van foto's van de koningin en andere leden van het koninklijk huis. De veelal uit Amerikaanse en Engelse tijdschriften overgenomen actuele foto's van de koninklijke familie werden in grote aantallen gereproduceerd en voor een paar dubbeltjes verkocht. Van de opbrengst werden onder meer de eerste illegale krantjes vervaardigd.
Bron foto: https://beeldbankwo2.nl

 Lees Vrij Nederland met Hilda's verslag: Bij de koningin thuis
Vrij Nederland, 1948, no. 1, 28-08-1948

Bij de koningin thuis

Ik heb ook met koningin Wilhelmina over mijn oorlogservaringen gepraat. Ook leuke anekdotes, zoals het voorval met een Joodse onderduiker die we te voet naar een duikadres brachten. Onderweg stapte er een Wehrmachtsoldaat uit een café en die liep per ongeluk die onderduiker ondersteboven.

Terwijl wij er met de schrik in de benen bij stonden, bleven die Joodse man en die Wehrmachtsoldaat elkaar minutenlang met buigingen hun verontschuldigingen aanbieden.

Later, op het onderduikadres, hebben we kromgelegen van het lachen. Niet alleen vanwege dat voorval, maar vooral om de spanning van dat moment van ons af te lachen. Toen ik een aantal van zulke anekdotes had verteld, zei ik: "Majesteit, u hoort het, het was niet altijd ellende; er werd ook weleens gelachen." Haar reactie zal ik nooit meer vergeten. Ze verstijfde helemaal in haar stoel en was zichtbaar ontstemd. Dat zei ze ook: dat het ongepast was om over die tijd te lachen. Ze kon het absoluut niet bevatten dat we ondanks alles ook weleens plezier hadden gehad.

Al met al is het betrekkelijk rustig geweest in Eindhoven. Hieraan heeft de acht maanden eerdere bevrijding van het Zuiden zeker bijgedragen. Zeker als je het vergelijkt met de Randstad, waar het verzet zich in hardere vormen nadrukkelijker manifesteerde, met als gevolg dat de repressie van de Duitsers ook bloediger was.
De Brabantse volksaard zal daar wel debet aan zijn geweest. Men schikte zich makkelijker in zo'n overheersing, in de geest van: het waait wel weer over.
We hadden wel een rugzak klaar staan als we moesten vluchten,
voor bombardementen.

Wat mezelf betreft: als ik aan die tijd terugdenk, ben ik eigenlijk veel banger geweest voor de bombardementen en de V1's dan om gearresteerd te worden. Achteraf bezien moet ik over die tijd ook erkennen dat we de ernst van de Jodendeportaties niet direct hebben ingezien. Anders hadden we ons voor deze mensen nog meer ingezet. Ik verwijt dat niet alleen mezelf, maar het gehele Nederlandse verzet.

Na de oorlog zeiden mijn man en ik tegen elkaar: we hebben ons best gedaan. We staan niet te trappelen om voor ons werk een lintje uitgereikt te krijgen. We hebben ons ook nooit aangesloten bij het Voormalig Verzet. Ons parool was: een dikke streep onder die tijd en doorgaan met de toekomst. Dat heeft meer nut dan het ophalen van herinneringen. Ik blik met een gepaste mate van voldoening op ons verzetswerk terug.
Uit boek Frans Dekkers B&W: rond de tweede wereldoorlog in Groot-Eindhoven, uitg. 1992, ISBN 906265363
[ aangevuld met niet gepubliceerden transcripties van de interviews ]

Tribunaal voor Bijzondere Rechtspleging

Hilda Verwey-Jonker werd na de Tweede Wereldoorlog gevraagd om als burgerzittinglid mee te oordelen over de berechting van collaborateurs. Dit hoofdstuk over de tribunalen is gebaseerd op het boek B&W van Frans Dekkers (pagina 207-211), aangevuld met gegevens uit krantenartikelen.

Hilda was als lid van het tribunaal bij tientallen zittingen aanwezig, van lichte zaken tot de veroordeling van de burgemeestersvrouw en het 'foute' Dagblad van het Zuiden. De zittingen vonden plaats in het oude stadhuis.

Eindhovense tribunaal 

Het Eindhovense tribunaal vangt medio 1946 aan met de berechting van collaborateurs. Om de honderden strafzaken te kunnen behandelen, worden er, vanwege een gebrek aan juristen, leken aangetrokken.

Mevrouw Verwey-Jonker: 'Dat waren mensen die men er capabel voor achtte. Onder meer rector C. A. Elich, Eindhovens Dagblad-hoofdredacteur A. Jurriaan Zoetmulder, gemeenteambtenaar Delen, de schrijver Antoon Coolen en de notarissen mr. H. Ph. M.J. Janssen en P.J. Steensma. Ik werd ook gevraagd.

Bij onze taak kregen we de hulp van de advocaten, want wij wisten ook niet alles: vooral van mr. G.J.P. Cammelbeeck die de meeste collaborateurs heeft verdedigd. De advocaten zagen het vaak beter, zeker als het om nuances ging, dan een officier van justitie die de zaken naar voren bracht. Als we in beraad gingen was de afweging altijd: hoe ernstig is de aanklacht, hoe lang zit hij of zij al, en hoe zijn de huiselijke omstandigheden.

We verschilden natuurlijk wel eens van mening. Ik was meestal de enige die bezwaar maakte om iemand nog langer vast te houden. De mensen die wij veroordeelden, waren in feite allemaal zielepieten die op het verkeerde paard hadden gewed, en die nauwelijks een vlieg kwaad hadden gedaan.

De straffen die hen werden opgelegd vond ik nogal eens onevenredig aan de aanklacht. Er werd ook wel eens met twee maten gemeten. Niet iedereen die fout was kwam er zo slecht van af. Ik herinner me bijvoorbeeld de zaak tegen de oud-hoofdcommissaris W. Dijs. Hij is gestraft, maar met behoud van deel van zijn pensioenrechten. Waarom hij wel en al die anderen die minder op hun kerfstok hadden niet?

Neem de NSB-ambtenaren. Naast de hun opgelegde straf kwam er nog een andere bij, waarmee ik het toen al niet eens was: het ontnemen van hun pensioenrechten. Daar hebben ze voor betaald en dat staat voor mij los van hun keuze voor het nationaal-socialisme. Deze mensen kregen er bij wijze van spreken als bijkomstige straf “levenslang” bij. Ze worden nu veelal door de bijstand onderhouden. Het was al met al geen gemakkelijke taak voor ons.'

Toen de publieke tribune vol was, dan verdrong de Eindhovense bevolking zich voor een raam op de tweede verdieping van C&A. Vandaar, dat tegenover het oude stadhuis was, vandaar keek men uit op het vertrek waar de tribunalen plaatsvonden.

Een van de eerste ‘prominente' NSB-ers die zich voor het tribunaal moet verantwoorden, is mevrouw Pulles [ de vrouw van de N.S.B. Burgemeester]: haar zaak komt op 18 september 1946 voor.


Met gevoel voor dramatiek schrijft het Dagblad voor Midden- en Oost-Brabant: ‘Even belast en beladen als de publieke tribune was de tenlastelegging van Catharina Henriëtte Maria Swinkels, echtgenote van de voormalige NSB-burgemeester. En even fel als de vlagen stormwind die tegen de ruiten sloegen, was af en toe het duel tussen het tribunaal en haar verdediger mr. J. Van der Putt.'
[ mr. Jo van der Putt was actief bij het Dommelhuis en de Nederlandse Unie en beide woonden, tijdens de oorlog in de Merellaan in dezelfde laan.]

De tenlasteleggingen variëren, naast een lijst van nationaal-socialistische lidmaatschappen, van het "uitsteken" van de NSB-vlag? tot het "uiten" dat Duitsland de oorlog zou winnen. Het wordt in de eerste jaren nog, punt voor punt, en uitvoerig behandeld. In retrospectief klinkt menige aanklacht, zoals die van mevrouw Pulles, minder belast en beladen als destijds. De vraagstelling doet veelal eerder naïef dan relevant aan, met voorspelbare antwoorden. Zo vraagt mevrouw Verwey-Jonker: 'Heeft U er op gerekend dat Duitsland de oorlog zou winnen?' Mevrouw Pulles: 'Eerst wel, maar later niet meer.'

Mevrouw Verwey-Jonker over die tijd: 'We wisten toen ook nog zo weinig. Daarom stelde elk tribunaal-lid weleens vragen die in deze tijd, nu er zoveel over de bezetting bekend is, naïef aandoen.'

De advocaat van mevrouw Pulles, mr. Van der Putt, maakt de reeks aanklachten tot speerpunt van zijn verdediging, met een gewaagde parallel in het slotpleidooi.

Van der Putt: 'Een regime dat bijvoorbeeld katholieken voor de rechtbank zou dagen omdat zij katholiek zijn en dat zulk een gedaagde boven zijn lidmaatschap van de kerk de lidmaatschappen van de H. Kindsheid, de Congregatie van de H. Familie en broederschap van den Rozenkrans ten laste zou leggen, mitsgaders het maken van een kruisteken voor het eten zou een verwrongen en onmatig opgeschroefd beeld van den werkelijke toestand geven.'

Mr. Steensma protesteert verontwaardigd tegen de stelling en licht toe dat al deze punten in de dagvaarding zijn opgenomen om haar collaboratie te accentueren. Van der Putt blijft bij zijn stelling en het zal nog menigmaal tot verbaal wapengekletter leiden.

Mevrouw Pulles: 'Wat mij vooral is bijgebleven is het “selectieve geheugen” van Eindhovenaren die gevraagd was ten gunste van mij, en later ook in andere zaken, te getuigen. Er bleken nogal wat mensen te zijn die zich plotsklaps niet meer wisten te herinneren dat ze tijdens de oorlog een beroep op ons hadden gedaan of door ons geholpen waren. Dan leer je ze pas goed kennen en dat maakte ons verbitterd.

Desondanks zijn we fair gebleven. We hadden heel wat namen kunnen noemen, ook van mensen die naar buiten toe de rol van “goed vaderlander" hadden uitgedragen, maar anderzijds de NSB en de Duitsers vriendelijk of behulpzaam tegemoet waren getreden. Daar waren heel wat bekende Eindhovenaren bij. Veel van hen, met name fabrikanten, hebben onder meer aan Winterhulp Nederland grote sommen geld geschonken. Vaak kwamen ze dat persoonlijk bij ons aan de Merellaan 2 overhandigen. Het tribunaal vroeg me de namen van deze donateurs te noemen. Men had vermoedens, en niet geheel ten onrechte. Van degenen die ze verdachten, kende ik er heel wat. Maar men kon dat niet bewijzen, en dat heb ik zo gelaten: ik heb gelogen dat ik zwart zag als ze een bevestiging van hun vermoeden wilden hebben.

Mr. Van der Putt beëindigt zijn slotpleidooi met de woorden: ‘Zij verblijft reeds twee jaren in een vreselijke omgeving. Zij is beroofd van al haar glorie. Haar gezin is uiteen gerukt, twee zoons zijn vermist en waarschijnlijk gesneuveld. Het is vandaag 18 september, waarop Eindhoven haar tweejarige bevrijding viert. Aan de vreugde van het bevrijdingsfeest zal niet tekort worden gedaan indien haar een barmhartigheid werd bewezen.

Mevrouw Verwey-Jonker: 'De zaak tegen mevrouw Pulles herinner ik me nog heel goed. Ik had medelijden met haar omdat haar twee zoons aan het front gesneuveld waren. Ik was er dan ook voor om haar direct in vrijheid te stellen omdat ze al genoeg geleden had.'

De gevraagde invrijheidstelling van ‘Frau Oberbürgermeister', zoals het ED haar schertsend noemt, wordt niet gehonoreerd. Het tribunaal vonnist: ‘internering tot 1 januari 1947, met ontzetting uit de kiesrechten en ontzetting uit de bevoegdheid om bestuurlijke functies te bekleden bij maatschappelijke of sociale verenigingen.'

Na de Tweede Wereldoorlog 

In heel haar werkzame leven heeft Hilda zich ingezet voor een sociale rechtvaardigheid en organiseren van voorwaarden om maatschappelijke positie te verbeteren.
Evert steunde haar daarin en hijzelf bereikte de wetenschappelijk top.

U.V.V. affiches bron https://beeldbankwo2.nl

UNIE VROUWELIJKE VRIJWILLIGERS

UNIE VAN VROUWELIJKE VRIJWILLIGERS" OPGERICHT. Een beroep op vrouwen en meisjes tot medewerking.

Eindhovensch dagblad 14-12-1944 meld:
Te Eindhoven is opgericht de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers. Deze organisatie beschouwt zich als de voortzetting van de Vrouwelijke Vrijwillige Hulp (V.V.H), die in 1940 tijdens de oorlogsdagen ten behoeve van vluchtelingen en geïsoleerden gewerkt heeft, doch tijdens de bezetting werd ontbonden. Het oude bestuur van de V.V.H, heeft zich direct na de bevrijding opnieuw ter beschikking gesteld van de autoriteiten en is toen ingeschakeld in het hulpwerk voor getroffenen onder den naam Bureau voor daklozen, getroffenen en vluchtelingen van het Nederlandse Rode Kruis. Nu de werkzaamheden, die door dit bureau worden verricht, enigszins overzichtelijk beginnen te worden en nu tevens de waarschijnlijkheid groot wordt, dat andere verwante taken van de Vrouwelijke vrijwilligers zullen worden gevraagd, lijkt het gewenst, dat een meer permanente organisatie-vorm wordt gevonden. Het bestuur stelt zich voor, naast de afdeling Vluchtelingenhulp, die op de normale wijze zal doorwerken in overleg met autoriteiten en andere hulporganen, nieuwe afdelingen op te richten, telkens wanneer daaraan behoefte bestaat. Met de besturen van Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers (U.V.V.'s) die reeds in andere plaatsen werken, zal zo spoedig mogelijk overleg gepleegd worden. Het bestuur van de U.V.V. Eindhoven bestaat uit de volgende personen:
Voorzitster: Mej. H. Roelants, Rodenbachlaan 4a; penningmeesteresse: Mevr. L. Haenen- Hilgers, Stratumseind 49; Mevr. V. Dubois-Raupp; Mevr. H. Verwey-Jonker; Mevr. L. de Haes-van Moorsel; Mej. Dr. M. van Vlijmen; Mevr. C. Mann-Koevoets; Mevr. T. v.d. Weerdt-Linck; Mevr. H. A. van Riemsdijk- Philips; Mevr. L. Woldringh-Potjer en Mevr. C. Spoorenberg-Bak.

Het Bureau Vluchtelingenhulp heeft in de afgelopen maanden gebruikgemaakt van de bereidwillige medewerking van vele tientallen vrouwelijke en mannelijke vrijwilligers, die hun toevertrouwde taak met grote toewijding hebben verricht. Vele van deze medewerkers hebben echter in de laatste tijd hun normale werkzaamheden weer moeten hervatten, zodat er op het ogenblik behoefte bestaat aan vooral vrouwelijke hulp. Het bestuur doet thans een beroep op alle vrouwen en meisjes, die zich beschikbaar willen stellen, zich binnen de kortst mogelijke tijd schriftelijk aan te willen melden op één der onderstaande adressen, met opgave van: naam, adres, leeftijd, werkkring, beschikbare tijd, opleiding en speciale belangstelling.

Mevr. Spoorenberg-Bak, Paradijslaan 89.
Mevr. Six-de Vos, Parklaan 38.

Hilda Verwey-Jonker
Er moet een vrouw in.

Hilda Verwey-Jonker, Er moet een vrouw in: Herinneringen in een kentering van de tijd .
Amsterdam : Arbeiderspers, 1988.
Paperback. 272 p., [20] p. of plates : ill. ; 22 cm.
ISBN 9789029551519
Autobiografie van Hilda Verwey-Jonker
Als een rode draad loopt door dit boek het besef dat er een fundamentele kentering heeft plaatsgehad in de man-vrouw-verhoudingen en dat zij zelf van de gunstige aspecten in de perioden ter weerszijden van die kentering optimaal heeft geproficeerd. Nu die periode voorbij is, is het zaak dat vrouwen zich zoveel mogelijk van een eigen baan, inkomen en pensioen voorzien. Daarom is zij een groot voorstandster van ‘levensloop-planning' voor vrouwen en draagt ze dit boeiende boek op aan haar vier kleindochters, 'die nog aan het begin van hun levensloop staan'.

ISBN 9029551518

Margit van der Steen
Drift en koers: de levens van Hilda Verwey-Jonker (1908-2004)

Drift en koers: de levens van Hilda Verwey-Jonker (1908-2004) door Margit van der Steen
2011, 596 p, ISBN 9789035133792
Als Proefschrift te downloaden in PDF [klik op full text]

Een vlot geschreven biografie. Zeer divers bronnenmateriaal weten te achterhalen en op bewonderenswaardige wijze verwerkt tot een gestroomlijnde geschiedschrijving. 
Margit van der Steen: “Hilda Verwey-Jonker had al een autobiografie gepubliceerd, Er moet een vrouw in. Maar eerlijk gezegd, vond ik dat boek een tikje saai. Ze deed alsof het allemaal niet zo veel voorstelde wat ze gedaan had. Dat geloofde ik niet – en dat daagde mij uit om de archieven in te duiken. Ik had goed gezien dat er een ander verhaal over haar leven was te vertellen.
Het leven van Hilda voor, tijdens en na de oorlog is prachtig beschreven in: Drift en koers: de levens van Hilda Verwey-Jonker. 

Frans Dekkers
B&W: Rond de Tweede Wereldoorlog in Groot-Eindhoven

B&W: Rond de Tweede Wereldoorlog in Groot-Eindhoven
Het 'kloppend hart' van een lokale samenleving is het stadhuis, het werkterrein van burgemeester, wethouders en ambtenaren. Hoe past dit bestuurlijk apparaat zich aan als omstandigheden dramatisch wijzigen, zoals voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog? Kiest het voor verzet of voor collaboratie?
FRANS DEKKERS stelt die vraag in B&W rond de Tweede Wereld-oorlog in Groot-Eindhoven en hij laat de laatste ooggetuigen van die periode hun eigen geschiedenis schrijven, die begint in de jaren twintig en de bestuurders ten tonele voert die tijdens de bezettingsjaren voor (marginaal) verzet of (soms al daarvoor) voor collaboratie zouden kiezen, en zich na de oorlog(stribunalen) zouden mengen in de machtsstrijd om de baantjes op het stadhuis. Dekkers 'componeert' hun onthullende verhalen en ervaringen tot een authentieke bekentenis van méér dan lokale betekenis, enerzijds omdat een bestuurder als dr. Beel het tot de landelijke politieke top brengt, anderzijds omdat het verhaal van Eindhoven nu eenmaal onlosmakelijk verbonden is met het verhaal van het wereldconcern Philips.
Frans heeft uitgebreid Hilda Verwey-Jonker geïnterviewd voor dit boek. 

pagina's 252, [32] p. foto's, 20 cm, uitgave 1992
ISBN 90-6265-363-4 

Het Verwey-Jonker Instituut is een Nederlands Instituut voor onderzoek, advies en innovatie op maatschappelijk terrein. Het instituut is genoemd naar de sociologe Hilda Verwey-Jonker als een blijk van waardering voor haar werkzaamheden ten behoeve van de Nederlandse samenleving.

Het gemeentehuis Eindhoven heeft een vergaderruimte  met de naam Verwey – Jonker, nummer 3.32


Overige bronnen

Biografie Jonker, Hilda (1908-2004) https://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn6/jonker
Biografie Verwey, Evert Johannes Willem (1905-1981) https://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn3/verweij

1945 Hilda Verwey-Jonker Voorvechtster van sociale vooruitgang https://canonsociaalwerk.eu/nl/detail/72

Het Verwey-Jonker Instituut https://www.verwey-jonker.nl/over-ons/

Het onbekende verzetswerk van Hilda Verwey-Jonker https://www.verwey-jonker.nl/artikel/het-onbekende-verzetswerk-van-hilda-verwey-jonker/

Dr. H. (Hilda) Verwey-Jonker https://www.parlement.com/biografie/dr-h-hilda-verwey-jonker

Online artikelen in Delpher

Vrij Nederland, jrg. 35, 1974, nr. 16, 20-04-1974 interview 2 pagina's:
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=KBVRNL01:252311017:00005
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=KBVRNL01:252311017:00006

Het Parool 05-05-1990
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ABCDDD:010833599:mpeg21:p025

Vrij Nederland, jrg. 51, 1990, nr. 40, 06-10-1990 Interview joodse kinderen na de oorlog:
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=KBVRNL01:252360005:00034

Overlevingskansen Eindhovense Joden

In een onderzoek van Phocas Kroon uit 2010 blijkt dat van de 936 Joodse inwoners, die in 1941 in Eindhoven woonden, 583 de oorlog hebben overleefd, waaronder 83 personen die diverse kampen hebben overleefd. In de oorlogsperiode zijn 21 Joodse personen een natuurlijke dood gestorven. Hierdoor komt het nazi-slachtoffer aantal op 332 personen. Dit is tragisch, zo'n 40% van de Eindhovense Joodse bevolking. Het aantal Eindhovense Joden dat de oorlog echter heeft overleefd is, in verhouding tot het percentage slachtoffers in geheel Nederland, hoog. Zo'n 75% van het totaal aantal Nederlandse joden is slachtoffer geworden.

In Eindhoven hebben veel Joden tijdig ingezien en de mogelijkheid gehad dat onderduiken hun enige reddingsmogelijkheid was. Veel van hen zijn er in geslaagd voldoende en veilige onderduikadressen te vinden, ook de rol van Philips heeft hieraan bijgedragen. Het maanden eerder eindigen van de oorlog in Eindhoven heeft ook positief bijgedragen aan de overlevingskans van onderduikers.
https://www.eindhoven4044.nl/5/Boek-Joodse-gemeenschap-06-2010.pdf