Verzetsgroep Gust & Ko

Hoppenbrouwers, van den Broek en
familie Evers

Medio 1942 werd een kleine maar actieve Eindhovense illegale werkersgroep geformeerd, bestaande uit Philips-medewerkers, politieagenten en ambtenaren van het gemeentehuis van Eindhoven. Deze verzetsgroep werd volgens Frans Dekkers in zijn boek B&W geleid door Philips-employé J. van der Sanden, hoofdagent J.C. Hoppenbrouwers en hoofdagent en rechercheur Francis van den Broek. De groep bood vooral hulp aan piloten, Joden en onderduikers. Ze hadden tevens contact met S.E. Siebels, inspecteur van politie in Goes, die wapens kon leveren. De groep werkte bovendien samen met 'groep Gust' en later in 1944 met 'groep Ko', waarbij de familie Evers een belangrijke schakel vormde.


Sjef de Vries in 1992
foto: Hans-Joachim Schröter / Boek Frans Dekkers B&W

Eind 1942 sluit gemeentebode Sjef de Vries zich aan bij de verzetsgroep Hoppenbrouwers / Van der Sanden. Sjef de Vries vertelt hierover in het boek B&W: “De groep zocht een betrouwbaar contact op het stadhuis. Omdat ik als gemeentebode overal kon komen, heeft de ambtenaar De Haas, van de afdeling Personeelszaken, mij bij deze verzetsgroep aanbevolen en geïntroduceerd.”


Sjef helpt hen aan een aantal blanco persoonsbewijzen en de bijbehorende transparantzegels om Joden en onderduikers, na het vervalsen ervan, een andere identiteit te geven. De Vries vertelt: “Die stal ik verscheidene keren tijdens de middagpauze, als er niemand op de afdeling Bevolking was, uit een stalen ladenkast die onafgesloten bleef. Ik verstopte die persoonsbewijzen onder een traploper op het stadhuis. Na werktijd smokkelde ik ze naar buiten en bezorgde ik ze op het huisadres van adjudant F. van den Broek aan de Harmoniestraat 17 in Eindhoven.”


Sjef de Vries hielp hen aan een aantal blanco persoonsbewijzen en de bijbehorende transparantzegels om Joden en onderduikers, na het vervalsen ervan, een andere identiteit te geven.

Foto van de moeilijk na te maken doorzichtige transparantzegels uit het archief van Jacques Hermans.

Sjef de Vries: “Een paar persoonsbewijzen waren al vervalst en uitgegeven, onder andere aan een Joodse man die bij een straatcontrole werd gepakt. Zijn persoonsbewijs was kennelijk slecht vervalst. Het spoor leidde al gauw naar het stadhuis en dat was op zich niet zo erg, omdat ik er zeker van was dat niemand mijn diefstal had gezien. Maar wat wel erg was: die Joodse man sloeg bij zijn verhoor door en noemde daarbij de naam van degene die hem aan een vervalst persoonsbewijs had geholpen, rechercheur F. van den Broek. Van den Broek werd door de SD gearresteerd. Ik vernam dat van De Haas, die wist dat Van den Broek was opgepakt. Daarop wist ik de overige leden van onze groep bijtijds te waarschuwen; zij zijn, evenals ik, onmiddellijk ondergedoken.”

De SD stelt een onderzoek in naar de diefstal op het stadhuis. Samen met een Nederlandse SD-medewerker, Adrianus Wolterbeek, krijgt A. Th. A. Paro, de NSB-gemeentesecretaris, opdracht om de ambtenaren van de afdeling Bevolking aan de tand te voelen. Het onderzoek loopt op niets uit, maar heeft wel tot gevolg dat er voortaan een betere controle op de beveiliging van persoonsbewijzen komt: een NSB-ambtenaar zal daarop toezien.

In augustus 1943 wordt in de woning van Hoppenbrouwers aan de Woenselsestraat 454 een aantal Joden ontdekt. Hoppenbrouwers duikt direct onder.

De ondergedoken hoofdagent J.C. Hoppenbrouwers wordt op 11 september 1943 door de NSB-hoofdcommissaris ontslagen. Hij is tijdens de oorlog actief bij Groep Gust, Groep Ko en de P.A.N. Na de bevrijding wordt hij natuurlijk weer bij het Eindhovense politiekorps in dienst genomen. De rol en het verdere verloop van het verhaal van Philips-medewerker J. van der Sanden zijn onbekend. Ook Sjef de Vries overleeft de oorlog en laat zijn verhaal in 1991 optekenen door Frans Dekkers in het boek B&W.

F. van den Broek 

J.C. Hoppenbrouwers 

Met politierechercheur F. van den Broek liep het tragischer af.

De Vries vertelt: “Onze groep had het vanzelfsprekend erg moeilijk met zijn arrestatie, maar we konden niets ondernemen.” Oud-politie-inspecteur C. Verhagen probeerde hem nog te helpen: “Een plan om hem te laten ontvluchten, wees hij van de hand. In de marechausseekazerne aan de Tuinstraat verkoos hij daarom de dood boven verraad. Hij pleegde op 13 augustus 1943 zelfmoord.” Zijn vrouw, Adriana C. van den Broek-Hoppenbrouwers, was al eerder omgekomen tijdens het Sinterklaasbombardement op 6 december 1942.


De gevolgen van de gevangenisneming lees je hieronder: "Een Eindhovense liquidatie die niet doorging."

Zijn broer, Franciscus Johannes van den Broek, was eveneens actief in het verzet. Hij was tijdens de bezettingsjaren ambtenaar bij het Centraal Distributiekantoor en belast met de distributie van levensmiddelen voor de bevolking in oorlogstijd. Dit stelde hem in staat om voor ondergedoken Joden en medeburgers distributiebescheiden te vervalsen, maar zijn illegale activiteiten werden ontdekt. Frans werd gearresteerd en naar concentratiekamp Buchenwald gedeporteerd. Van daaruit werd hij doorgevoerd naar het buitenkamp Langenstein-Zwieberge, waar de gevangenen onder erbarmelijke omstandigheden en zware mishandeling aan het werk werden gezet in de onderaardse vliegtuigfabrieken of in de mijnen. Daar overleed Frans op 22 november 1944 op 38-jarige leeftijd aan de gevolgen van de geleden ontberingen. Als officiële doodsoorzaak werd longontsteking opgegeven.

Er was nog een Van den Broek actief in het verzet; of dit familie was, is onduidelijk. Henk van den Broek (H.J.T. van den Broek, 1904, 's-Hertogenbosch), die in de oorlogsjaren aan de Biesterweg 47 in Eindhoven woonde, was gehuwd met Hetty de Bruijn. Ze hadden drie kinderen, waaronder dochter Inge. Henk was werkzaam op het ingenieursbureau van Philips, destijds gevestigd aan de Willemstraat. Hij was actief in het verzet. Tijdens zijn verzetswerk liep hij een infectie op en door dit noodlottige voorval overleed hij op 9 januari 1944. Zijn vrouw heeft tot 1952 moeten strijden voor de erkenning van zijn rol in het verzet. Zijn naam staat daarom niet op het Philips-monument “1940 - Aan onze gevallenen - 1945” dat in 1950 werd onthuld.

In de Verzetsheldenbuurt in Acht (Eindhoven) is wel een straat naar hem vernoemd: de Henk van den Broeklaan. Ook staat zijn naam in het gedenkboek in de hal van de Tweede Kamer in Den Haag.
Lees ook: https://inmijnbuurt.org/verhalen/doef-doef-doef-knetterdeknetter-hoorden-we-om-ons-heen

Verzetsgroepen Gust en Ko

A.J.A. Evers is Guust Evers, die getrouwd was met Sjaantje Evers. W.J. Evers (ook vermeld als W. Evers) is Wim Evers, en Getruda Evers is Gerda Evers. Guust, Wim en Gerda zijn broers en zus van elkaar.

Guust woonde tijdens de oorlog met zijn eigen gezin aan de Woenselsestraat 10 in Vlokhoven. Wim en Gerda woonden destijds nog in het ouderlijke huis aan de Woenselsestraat 464.


Wim en Gerda Evers van de groep Gust achter het ouderlijk huis, Woenselsestraat 464 Eindhoven
foto via Barry Wonder https://bevrijdingwoensel.nl


Schematische weergave van de Eindhovense verzetsgroep rondom 
Hoppenbrouwers en van den Broek.
 De groep Gust :
Evers, A.J.A. = Guust (zie ook lijst pilotenhelpers), J. Raaijmakers, J. Manders, , W.J. (Wim) Evers, H. van de Heuvel, L. Snaphaan,
Gerda of Gertruda Evers (koerierster)
en de groep Ko: H. Honing,  A. de Groot, E. Evers,  G. Theres en A. Evers.

Schema gemaakt door W. Evers  op 18-6-1981

Met dank aan Barry Wonder voor document
Schrijver van het boek: Bevrijding Woensel


Extra overzicht knokploeg: https://eindhoven4044.nl/4/Knokploegen.pdf

W. Evers schrijft: "Groep Gust was een kleine maar veilige groep die actief was in de hulp aan piloten en aan Joodse Nederlanders, en zij trad meestal individueel op." Het gebrek aan wapens en springstoffen was een grote belemmering, wat soms tot niet-verantwoorde daden leidde. Deze groep bestond later geheel uit ondergedoken militairen en mensen die de arbeidsinzet ontliepen.

De oorsprong van het verzet in Woensel lag begin 1942 onder leiding van A.J.A. Evers, groepsleider van sectie Woensel, met een groep van negen personen. Deze groep ging begin 1944 samen met andere groepen (Ko en P.A.N.) en vormde zo een grote formatie.

W.J. Evers schrijft aan het Eindhovens Dagblad: "Een onderdeel van de verslaggeving betrof het kaalknippen van vrouwen." Vier maanden voor de bevrijding kwam van de groepsleiding (P.A.N.-leiding) het bevel om hier niet aan mee te doen; een duidelijk verbod dus. Dit verbod was echter overbodig, daar niemand aan deze minderwaardige handeling dacht.

Een tweede punt in de verslaggeving was het toevoegen van jongeren aan deze groepen zonder discipline. Verschillende van deze jongens waren zeer gemotiveerd en konden beter omgaan met wapens dan de militairen. Wat de verslaggever niet schreef, was dat de sectie Woensel arsenalen met wapens, munitie en granaten opruimde ter bescherming van de bevolking.

Een andere taak van de groepen was de bewaking van "foute" Nederlanders in de Don Boscoschool, de hoogspanningscentrales van de PNEM en de luchtfotoafdeling van de RAF aan de Dommelhoefstraat. Natuurlijk zijn er fouten gemaakt – waar niet? – zelfs bij de hoogste legerleiding. Er waren dagen nodig om de enorme chaos die telkens weer ontstond enigszins op te ruimen en zaken op orde te brengen. De leider van de sectie Woensel kreeg voor zichzelf en zijn groep oorkondes van koning George VI, generaal Eisenhower, generaal Montgomery en luchtmaarschalk Tedder. Later ontving hij ook nog het Verzetskruis uit handen van prins Bernhard op Paleis Soestdijk. Alle mensen uit deze verzetsgroepen deden dit voor hun volk met gevaar voor eigen leven. Zij voelden dit als hun plicht en stonden niet stil bij de eventuele consequenties; daar was geen tijd voor. Ondergetekende was een onderdeel van deze groep en is trots dat hij dit heeft mogen doen. Getekend: W.J. Evers.

De groep Gust trad meer individueel op. Guust Evers vertelt daarover in de Midden Brabant-krant van 26 oktober 1984: "Slechts één sabotagedaad hebben zij gezamenlijk verricht. Er moest een trein worden opgeblazen bij Best. Dat lukte, maar na drie kwartier was de zaak weer opgebouwd. De gevolgen waren echter erger: de Duitsers bonden aan elke paal die er maar te vinden was een oude vrouw vast. Zij lieten hen staan totdat zij erbij neervielen."

Vanaf dat moment ging Guust alleen op pad. Van zijn hobby had hij een deugd gemaakt. Hij had zijn handboog zo aangepast dat hij deze onder zijn jas kon verstoppen, samen met een koker met pijlen die met lijnolie waren ingesmeerd. Aan de punt van de pijl maakte hij een luciferdoosje vast en aan het andere eind een kurk. Daarmee bestookte Guust treinen met munitie. "De wagons die met munitie waren gevuld, reden niet met geheel gesloten deuren, omdat het anders te warm zou worden en de munitie zou ontploffen." Daarvan maakte Guust gretig gebruik. Als er een trein naderde, schoot hij een pijl in de wagon. De lucifers vatten vlam en door de lijnolie bleef het vuur lang genoeg branden om de munitie te laten ontploffen. Met tien pijlen ging het volgens Guust zeker acht keer goed.

Treinen hadden voor Guust een extra aantrekkingskracht. Hij kende de zwakke punten. Via oliepotten werden de assen gesmeerd. Door die potten onklaar te maken, zodat er geen olie meer naar de assen werd gedrukt, liepen de assen gloeiend heet en liepen ze vast. Ook auto's moesten het bij Guust ontgelden. Hierbij maakte hij dankbaar gebruik van zijn oude kennissen bij Philips. Van hen kreeg hij slijppoeder. Dergelijk poeder in de benzinetank maakte de motoren van de Duitse auto's na ongeveer 500 kilometer totaal onbruikbaar. Op die manier heeft hij enkele militaire colonnes onklaar gemaakt.

In zijn tijd bij de KP (Knokploeg) heeft hij ook herhaaldelijk oog in oog met de dood gestaan. Dit ging zelfs zo ver dat hij op een zeker moment met een welgemikt schot voorkwam dat zijn commandant, ritmeester Schade, en hijzelf zouden worden geliquideerd. Dit speelde zich af op een dijk bij Everdingen. Deze Schade zou hij nog wel eens willen ontmoeten. Bij de uitreiking van het herdenkingskruis heeft hij met prins Bernhard over hem gesproken; het bleek een zeer goede kennis van de prins te zijn geworden. Na de oorlog kwam Guust bij de toen opgerichte Aan- en Afvoertroepen. Als konvooicommandant heeft hij bijna een half miljoen kilo aan voedsel vanuit Frankrijk naar Nederland gebracht. Dat werk duurde tot 17 november 1947.

Bij de groep Ko stond het optreden in groepsverband centraal. Naarmate het einde van de Duitse bezetting naderde, werd deze groep steeds roekelozer: het saboteren van Duitse verbindingslijnen, het 's nachts beschieten van wagens met Duitse militairen, enzovoort. De groep Gust, met aanvulling van groep Ko, verleende tijdens de bevrijding van Eindhoven, Son en Best alle mogelijke hulp aan de 101e Airborne Divisie, onder andere bij het bewaken van krijgsgevangenen. Later heeft deze groep, naast de Schotse Hooglanddivisie bij de Bata-fabrieken in de omgeving van Best, voortdurend onder Duits mortiervuur gelegen. Na de bevrijding zijn veel mannen bij de Stoottroepen en de Blauwe Jagers gegaan.

Een aanvulling van Barry Wonder: Van een kleindochter van de familie Evers heb ik begrepen dat er onder andere piloten werden verborgen in de kelder onder het huis van opa en oma (Jan en Colette) Evers, de ouders van Guust, Wim en Gerda, wonende aan de Woenselsestraat 464. Wat er zich in en rondom het huis afspeelde tijdens de bevrijding staat beschreven in de brieven van zoon Wim en heb ik uitgewerkt in mijn boek "Bevrijding Woensel: Ooggetuigen vertellen". Net op tijd konden zij de verzetsspullen verbergen toen de Duitsers op 17 september 1944 op de voordeur sloegen om het huis te vorderen en er een 88mm-kanon in stelling te brengen.

Guust Evers en zijn dochter en enkele Britse bevrijders voor het huis waar hij en zijn gezin woonden, Woenselsestraat 10 Eindhoven
foto via Barry Wonder https://bevrijdingwoensel.nl/

Een Eindhovense liquidatie die niet doorging

Frans Dekkers schrijft in B&W dat adjudant Van den Broek tijdens zijn verhoor informatie over de activiteiten van de verzetsgroep prijsgaf. Kort voor zijn arrestatie rijpte bij de illegale groep het plan om enkele NSB'ers te liquideren. Op het lijstje stond ook J. van Stratum, de privésecretaris van burgemeester Pulles, maar de voorgenomen aanslag op hem mislukte.


Gemeentebode Sjef de Vries was hierbij betrokken en gaf een lang bewaard geheim prijs: "In de zomer van 1943 besloot onze groep enkele in onze ogen gevaarlijke NSB'ers te liquideren, waaronder Van Stratum. Maar door bepaalde omstandigheden, die ik liever verzwijg, is die aanslag mislukt."


Deze ontboezeming strookt met een herinnering van Van Stratum. Hij vernam in de zomer van 1943 dat er een aanslag op zijn leven werd voorbereid. Van Stratum vertelt: "Op een dag kwam SD-chef Weber mij waarschuwen dat een Eindhovens verzetsgroepje van plan was om mij, burgemeester Pulles en de gewestelijk politiepresident majoor Vermeulen, de opvolger van Kooymans, te liquideren. Weber nam de zaak serieus omdat adjudant Van den Broek, een van de leden van de verzetsgroep, was gepakt en dit tijdens zijn verhoor had verteld. We kregen alle drie een vuurwapen van Weber en de instructie om, wanneer we van huis gingen, om de twintig meter de straat over te steken."


Van Stratum vervolgt: "Toen SD-chef Weber me dat kwam vertellen, waren Pulles en ik met onze vrouwen die avond door de Ortskommandant uitgenodigd voor een borrelavondje bij Schimmelpenninck. We voelden ons heel gespannen, maar we wilden toch geen verstek laten gaan. Het pistool liet ik thuis; ik had er in de kelder een keer mee geoefend, maar ik kon er niet mee omgaan. Provisorisch gewapend — ik met een boksbeugel en mijn vrouw met een ploertendoder in haar handtas — zijn we toen van huis gegaan. Op de hoek van de Eerste Wilakkersstraat en de Heezerweg hoorden we ineens een menselijk fluitsignaal dat uit een andere richting met eenzelfde signaal werd beantwoord. Verlamd van schrik zijn we toch doorgelopen, maar er gebeurde tot onze opluchting niets."


Dat het ernst is geweest, bleek jaren na de oorlog toen Van Stratum op straat werd aangesproken door de gemeenteambtenaar A.H. van Rijsingen. Ook hij was betrokken bij de mislukte liquidatie en vertelde waarom de aanslag niet doorging. Van Stratum: "A.H. van Rijsingen, lid van de G.O.I.W.N. (Gemeenschap Oud Illegale Werkers Nederland), zei: 'Wij lagen vlak bij jouw woning aan de Eerste Wilakkersstraat op de loer. Maar omdat jouw hoogzwangere vrouw naast jou liep en in ons schootsveld lag, hadden we eerst haar moeten doden, en dat is de reden waarom we toen van die liquidatie hebben afgezien.'" (Bron Frans Dekkers B&W p.164)

Documenten

Aantal documenten waarop deze pagina is gebaseerd.


Ingezonden brief  van W.J. Evers in Eindhovens Dagblad of Groot Eindhoven, september 19??

Trots op de P.A.N. (Tekst uit krantenartikel)

De P.A.N. assisteert bij arrestaties in Eindhoven.

Mijn feestvreugde tijdens de herdenking van de bevrijding werd mij geheel ontnomen door het relaas in uw krant over de Partizanen Actie Nederland. Zelf was ik lid van de P.A.N. tijdens de oorlogsjaren, welke na de bevrijding overging in de Binnenlandse Strijdkrachten.

De oorsprong van de P.A.N. was begin 1942 onder leiding van A.J.A. Evers, groepsleider sectie Woensel met een groep van 9 personen. [Deze informatie klopt niet, P.A.N. is later opgericht en zeker niet onderleiding van A.J.A. Evers, wel is het mogelijk dat zijn groep in Woensel is gestart].
Deze groep ging begin 1944 samen met andere groepen en vormde zo een grote formatie.
Een onderdeel van de verslaggeving betrof het kaalknippen van vrouwen. Vier maanden voor de bevrijding kwam van de groepsleider het bevel hier niet aan mee te doen, dus een duidelijk verbod! Dit verbod was echter overbodig, daar niemand aan deze minderwaardige handeling dacht. Een tweede punt in de verslaggeving was het toevoegen van jongeren bij deze groepen zonder discipline. Verschillende van deze jongens waren meer gemotiveerd en konden beter omgaan met wapens dan de militairen.

Wat de verslaggever niet schrijft is dat de sectie Woensel een arsenaal aan wapens, munitie en granaten opruimde, ter bescherming van de bevolking. Een andere taak van de groepen was de bewaking van de 'foute' Nederlanders in de Don Bosco-school, de hoogspanningscentrales van de PNEM en van de luchtfotoafdeling van de RAF aan de Dommelhoefstraat. Er wordt evenmin gesproken over het constante mortiervuur en het patrouillelopen langs de frontlijn bij de Schotse Hooglanddivisies die bij de Batafabrieken in Best lagen. Natuurlijk zijn er fouten gemaakt, waar niet, zelfs bij de hoogste legerleiding. Er waren dagen nodig om de enorme chaos die elke keer weer ontstond enigszins in te ruimen en zaken op orde te brengen.

De leider van de sectie Woensel kreeg voor zichzelf en zijn groep oorkondes van Koning George V, generaal Eisenhower, generaal Montgomery en luchtmaarschalk Tedder. Later ontving hij ook nog het Verzetskruis uit handen van Prins Bernhard op Paleis Soestdijk.
Alle mensen uit deze verzetsgroepen deden dit voor hun volk met gevaar voor eigen leven. Zij voelden dit als hun plicht en stonden niet stil bij de eventuele consequenties, daar was geen tijd voor. Ondergetekende was een onderdeel van deze groep en is trots dat hij dit heeft mogen doen.

W.J. EVERS


Toelichting bij  De groep Gust  / Ko door W. Evers op 18-6-1981

Tekst van onderstaande krantenartikel staat onder de afbeelding


Guust & Sjaantje Evers vertellen over hun leven en oorlogservaringen
Midden Brabant, 26 oktober 1984

Sjaantje en Guust Evers herdenken het mooiste moment van hun leven

Op 4 november a.s. vieren Guust en Sjaantje Evers het ogenblik, dat zij 50 jaar geleden het naar hun zeggen gelukkigste moment van hun leven hebben gehad. Er zou een periode volgen van veel eenzaamheid en angst voor Sjaantje en van spanning en evenzeer angst voor Guust. Immers de oorlogstijd zou voor beiden een in minder gunstige zin onvergetelijke indruk achter laten. Een periode waarover Guust niet zo graag praat, maar voor deze gelegenheid wil hij toch wat kwijt. Een bijna niet te stuiten Guust neemt plaats op zijn fauteuil, daarbij een enkele keer in de reden gevallen door Sjaantje: "Och jongen, dat is voorbij".


Guust en Sjaantje verschillen maar een jaar in leeftijd. Guust werd in 1905 geboren en Sjaantje in 1904. De afstand was wel groot. Guust zag in het Belgische Viersel het levenslicht en Sjaantje van Aarle in Rooi. Zoals bijna elk Roois meisje groeide Sjaantje op, ging naar school en moest gaan werken. Alle baantjes die geld opleverden werden aangenomen. In een gezin met 9 kinderen moest veel geld zijn. Van deze 9 was Sjaantje de vijfde. Via een van die baantjes zou zij Guust leren kennen, en wel bij Philips.


Guust had het bepaald niet rustig in zijn jeugd. Inmiddels verhuisd naar het Duitse Holthausen. Maar toen de eerste wereldoorlog uitbrak moest er gevlucht worden naar Nederland. Bij een broer van vader Evers in Woensel kon men terecht. Guust sprak beter Duits dan Nederlands. Dat was er de oorzaak van, dat hij al op zeer jonge leeftijd Duits leerde aan een zekere juffrouw Van der Vleuten uit Best, die hem op haar beurt Nederlands leerde. Na de lagere school moest er gewerkt worden. De oom van Guust had hem wel graag priester zien worden, maar Guust hield het slechts twee maanden uit op Eikenburg in Eindhoven. "Ik was de pony langs vader en moest daarom als oudste mee de kar trekken". Voor f 9,75 per week bestuurde hij een treintje, dat werd gebruikt bij de aanleg van het Wilhelminakanaal. Hij werd daar zo verlekkerd op de stoomtrein, dat hij probeerde machinist te worden bij het Strataspoor. Helaas zou het dan vier jaar duren voordat Guust geld in het laatje zou brengen.


Eerste radio's van Philips

Philips wilde Guust wel. Van spoedlopertje klom hij op tot eindcontroleur in de Keurkamer. Hij weet zich nog te herinneren dat de 01428 het eerste radiotoestel was, dat van de band kwam.


Oorlog/Verzet

Op 16 april 1982 was aan Guust het Verzetsherdenkingskruis toegekend. Het gesprek hierover illustreert Guust met de foto's die bij deze gelegenheid zijn gemaakt. Op paleis Soestdijk. Prins Bernhard reikte het persoonlijk uit.

Eén ding uit deze tijd begrijpen Sjaantje en Guust nog niet: dat Sjaantje en de kinderen in leven zijn gebleven. Uit het verhaal dat Guust vertelt, blijkt wel waarom.

Toen zij vijf jaar getrouwd waren – zij hadden inmiddels drie kinderen – brak in 1938 de mobilisatie uit. In zijn diensttijd was Guust een hartstochtelijk motorrijder en daarom werd hij nu aangewezen om de groepstroepen vanaf Rotterdam te begeleiden. Toen de capitulatie kwam ging hij niet meer terug naar Philips. De reden daarvan was het bombardement van Eindhoven. Hij begreep wel, dat hij nu moest onderduiken, omdat de Duitsers er zeker van waren, dat het verzetsmensen zouden zijn, die niet terugkeerden naar Philips.

Met negen militairen verborg Guust zich op de Hondsberg bij het Oud Meer in Son. Na 9 maanden moesten zij vluchten en doken onder bij Dolf Verhagen op Vressel. Op de een of andere manier werden zij verraden. Op een morgen stonden 24 NSB-ers bij de schuilplaats, maar de vogels waren gevlogen. "Jan Franssen, de voorwerker bij de gemeente Son, heeft ons leven gered. Als die er niet was geweest, was er aan ons meteen een einde gemaakt", zegt Guust. Toen ging men in het verzet.


Slechts één sabotage-daad hebben zij gedaan. Er moest een trein worden opgeblazen bij Best. Dat lukte. Maar na drie kwartier was de zaak weer opgebouwd. De gevolgen waren erger. De Duitsers honden aan elke paal die er maar te vinden was, een oude vrouw. Zij lieten ze staan totdat ze er bij neervielen. Vanaf dat moment ging Guust alleen op pad.

Van zijn hobby had hij een deugd gemaakt. Zijn handboog had hij zo gemaakt, dat hij hem onder zijn jas kon verstoppen en ook nog een koker met pijlen, die met lijnolie waren ingesmeerd. Aan de punt van de pijl maakte hij een luciferdoosje vast en aan het andere eind een kurk. Hiermee bestookte Guust de treinen met munitie. "De wagens, die met munitie waren gevuld, reden niet met geheel gesloten deuren. Dan zou het te warm worden en de munitie zou ontploffen." Daarvan maakte Guust gretig gebruik. Als er een trein naderde, schoot hij een pijl in de wagon. De lucifers begonnen te branden en door de lijn-olie bleef het vuurtje lang genoeg branden om de munitie te laten ontploffen.

Met tien pijlen ging het volgens Guust zeker acht keer goed.

Treinen hadden voor Guust een extra ontdekkingskracht. Hij kende de zwakke punten. Via oliepotten werden de assen gesmeerd. Door die potten onklaar te maken, zodat er geen olie meer naar de assen werd gedrukt, liepen de assen gloeiend heet en daardoor vast.

Ook auto's moesten het bij Guust ontgelden. Hierbij maakte hij dankbaar gebruik van zijn oude kennissen bij Philips. Van hen kreeg hij slijppoeder. Dergelijk poeder in de benzinetank maakte de motoren van de Duitse auto's na ongeveer 500 km totaal onbruikbaar. Op die manier heeft hij enkele militaire colonnes onklaar gemaakt.

In zijn tijd bij de KP (Knokploeg) heeft hij ook herhaaldelijk oog in oog met de dood gestaan. Zo erg zelfs, dat hij op zeker moment met een wel gemikt schot voorkwam, dat zijn commandant ritmeester Schade en hij zelf zouden worden geliquideerd. Dat speelde zich af op een dijk bij Everdingen. Deze Schade zou hij nog wel eens willen ontmoeten. Bij de uitreiking van het herdenkingskruis heeft hij met Prins Bernhard over hem gesproken. Het bleek een zeer goede kennis van hem te zijn geworden. Na de oorlog kwam Guust bij de toen opgerichte Aan- en Afvoertroepen. Als konvooi-commandant heeft hij bijna een half miljoen voedsel vanuit Frankrijk naar Nederland gebracht. Dat duurde tot 17 november 1947.


Eigen zaak

Na de oorlog kwamen de radio's tevoorschijn uit het verzet. En Guust kon dankbaar gebruik maken van zijn kennis, die hij bij Philips had opgedaan. Het gezin Evers was ondertussen ingetrokken bij Jan Ligthout, de toenmalige ambtenaar van Bouw- en woningtoezicht. De voorkamer werd als werkplaats ingericht. Hij zegt veel te danken te hebben aan burgemeester Van Rijckevorsel, dr. Dekkers en gemeentebode Karel van Zon, zijn zwager. Er viel veel te repareren. Maar de toestemming om installaties te maken kreeg hij niet. Na 15 jaar vechten kreeg hij van de PNEM zijn erkenning.

"Ik heb volgehouden. Door volharding, liefde voor het werk en de kennis kon ik door blijven gaan. Het ging wel niet allemaal van een leien dakje". En ook Sjaantje vult aan, dat het in die tijd echt moeilijk was. Nu hebben we het goed.

Toen Guust 61 jaar werd, deed hij zijn zaak over aan zoon Jan. "Toen kregen we het pas echt goed", zegt Sjaantje. "Vroeger was het niets dan werken en veel armoe". Beiden vinden het jammer, dat ze nu niet meer zo gezellig kunnen dansen. Niettemin beloven ze veel plezier aan de bejaardenbond. Vooral het zingen in het bejaardenkoor vindt Guust fijn.

Zo zingen zij regelmatig voor de gouden bruidsparen. "En nou zijn wij aan de beurt", roept Guust lachend uit.


Voor het weggaan toont hij nog gauw de dankbetuigingen (oorkonden) van generaal Eisenhower en de commandant van de Engelse lermacht.

Tot de jeugd zegt hij: "Ongeacht wat er gebeurt, blijf overal met de vingers af. Geen verzet. Zorg alleen voor je gezin. Uiteindelijk is er niets van het verzet terecht gekomen. Werken in welke groep ook is dan altijd gevaarlijk spel. Ik heb geen hekel aan de Duitsers, het regime deugde niet".


Op 4 november a.s. zal het mooiste moment van hun leven nog eens goed herdacht worden. "De Gouden Leeuw" is die dag voor de familie Evers. Het is hen van harte gegund.

Evers document

Brief Wim Evers


            40 MB  

Handgeschreven brief van Wim Evers

Brief is omgezet naar hedendaags Nederlands

Tekst van de brief:
Hulp en verzet in Nederland 1944.

Over het verzet in Nederland kan men een apart boek schrijven. Dit is veel meer dan algemeen bekend is; denk aan het plaatsen van spijkers voor de autobanden van vrachtwagens van de vijand en bij auto's die voor de vijand werkten. Het jeugdige verzet begon al op ongeveer 17-jarige leeftijd en zo groeide je steeds verder in het verzet, tot daden die je nu voor onmogelijk houdt en die zich niet laten beschrijven.

Daarom beperken we dit schrijven tot de periode voor en na de landing van de 101e Airborne Divisie. Mijn verzetsgroep had de gehele situatie van de Duitse geschutsopstelling bij de brug in Son op tekening staan, om deze te overhandigen aan de geallieerde officieren die vanuit België zouden naderen. Toch hadden deze tekeningen na de landing in Son geen waarde meer.

Op verschillende plaatsen in Eindhoven werd op terugtrekkende Duitse auto's met soldaten geschoten. Verschillende verzetsmensen zijn hierbij gedood, doordat Duitse soldaten met machinepistolen op de spatborden van de auto's zaten Telefoonkabels werden doorgesneden. Het gebrek aan goede wapens en springstof was voor ons de grote moeilijkheid. Wat we hadden, was gestolen van de vijand of kwam van de politie.

Half augustus 1944 werden de kleine verzetsgroepen gecoördineerd tot één grote organisatie (de Binnenlandse Strijdkrachten). Dit was bedoeld om bij de nadering en bevrijding door de geallieerde troepen alle mogelijke steun te geven die in ons vermogen lag.

Dit hield in: het bewaken en onderbrengen van mensen die met de vijand hadden samengewerkt, het bewaken en te voet vervoeren van krijgsgevangenen, het bewaken van belangrijke gebouwen en fabrieken, het optreden als tolk en het belangrijkste de geallieerde troepen de weg wijzen en hen begeleiden.

Bij het gevangennemen van verborgen Duitse soldaten in bossen en schuren, die bang waren om door paratroepen gedood te worden (want dat had hun commandant hun verteld), zijn verschillende verzetsmensen omgekomen.

Ook groepen Duitse soldaten die zich in bossen verscholen hielden, schoten verzetsmensen na onderhandelingen (over hun overgave) in de rug neer.
[Zie verhaal Eddy Verkaik]

Ik hoop dat ik u met dit beknopte schrijven een bijdrage heb kunnen leveren aan het schrijven van uw boek.

Ik wens u veel succes.

W.J. Evers
Jaromirstraat 5
5625 DE Eindhoven
Geboren: 16-6-1923