Het gebied rondom Eckart trok al duizenden jaren bewoners aan. Sinds de laatste ijstijd, zo'n 10.000 jaar geleden, is het gebied bewoond. Vanaf 1300 stond er een boerderij, die in 1550 uitgroeide tot een slotje: een kasteelachtige adellijke behuizing van verwaarloosbare militaire waarde. Rond 1900 volgde een verbouwing van Eckart, dat daardoor een paleisachtig aanzien kreeg.
In 1888 werd Johannes Theodorus Maria Smits van Oyen, de latere eigenaar van het landgoed, geboren. Hij studeerde rechten en werd burgemeester van Bennebroek en later van Nuenen, Gerwen en Nederwetten. In 1937 verkocht hij Eckart voor 150.000 gulden. Hij ging wonen op het nabij gelegen Kasteel Soeterbeek, dat ook familie-eigendom was.
De Broeders van de Heilige Norbertus van Elshout kochten het landgoed Eckart voor de opvang van nazorgpatiënten en nadien verstandelijk gehandicapten. Daarvoor moesten ingrijpende verbouwingen worden uitgevoerd. In 1938 kwamen de eerste bewoners vanuit Elshout over. Uiteindelijk stonden er zestig bedden op de zolder van het landhuis, dat vanaf dat moment Huize Sint-Jozefdal werd genoemd. In 1938 was er al zorg voor 150 personen, volgens een krantenartikel.
Tijdens de Duitse bezetting reageerde men door weer een landbouwbedrijf te beginnen. Later in de oorlog dienden ook de bijgebouwen als onderkomen voor talrijke onderduikers. Men moest ervoor zorgen dat de broeders niet in Duitsland te werk werden gesteld, en ook de verstandelijk gehandicapten liepen uiteindelijk groot gevaar door de nazi-ideologie. Op 18 september 1944 werd Eindhoven, Eckart en Sint-Jozefdal bevrijd.
Meer: https://nl.wikipedia.org/wiki/Heerlijkheid_Eckart
Toen de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking redelijk vorm had gekregen, vielen de Duitsers in mei 1940 Nederland binnen. De Duitse bezetting dwong de broeders om inventief te handelen. Op St. Jozefdal gebeurde dat door van het kasteel weer een boerenbedrijf te maken, net zoals vroeger. De inzet werd om in de eerste levensbehoeften van de bewoners te voorzien.
Marinus van der Meijden kwam in oktober 1940 in de Jagershoeve wonen, Eckartseweg 5, en verzorgde zes koeien van de broeders. Er zaten varkens achter het koetshuis en er werden scharrelkippen aangeschaft.
De landerijen van Eckart en de zorg van St. Jozefdal raakten zo nauw met elkaar verweven.
Vanuit de Duitse bezetter werden allerlei dwingende verordeningen uitgevaardigd. Vooral na mei 1943 moesten steeds meer jongemannen onder de zogenaamde Arbeitseinsatz gaan werken in nazi-Duitsland. Kloosters en inrichtingen die niet door de Duitsers gevorderd waren, en ook boerderijen, werden echter met de dag geliefdere onderduikadressen. Op Eckart was vrijwel geen boerderij te vinden die niet een of meerdere onderduikers herbergde.
Veel indruk maakten de kwaadaardige Duitse ordonnanties dus niet op de Eckartse bevolking.
Op het historiegevoelige zwarte bord geschreven: 'Sept. 1942 Ter herinnering aan de zwarte lijst'. De dorsers van het Eckartse land waren verplicht om bij de bureauhouder op te geven hoeveel kilo koren er gedorst was. Bij bijvoorbeeld 5000 kilo moesten ze 3000 kilo afgeven en mochten ze 2000 kilo zelf houden. Openlijk wordt hier gesproken van de Zwarte lijst die ze zelf aanlegden, zeer tot hun voordeel. Hannes van Hoorn was controleur bij de CCD (Centrale Controle Dienst). Hij woonde in het huis van de chauffeur van Smits-van Oyen en diende de zaken piekfijn bij te houden. Maar hij was ook Eckardiaan. Van hem kwam de brandbrief – zo bleek veel later – die de familie Van der Meijden waarschuwde voor het aanstaande bezoek van controleurs.
De Eckartse bevolking groeide na de meidagen van 1940 zienderogen. Samen met Harrie van der Aalst uit Tongelre dook Kees van de Plas uit Rotterdam onder bij Bert van Boxtel. Stroboer Hannes de Haas op Vaartbroek spande de kroon; daar waren wel dertien onderduikers. In de grote stroschuur woonden er drie tussen de pakken geperst stro. Zij durfden nooit naar buiten. Na de oorlog waren ze zo wit als een gekalkte muur.
De andere tien onderduikers, waaronder Frans van de Heuvel, Jan Raaymakers, Piet Schepers, Piet Suykerbuyk uit Bergen op Zoom en Karkelonka (de bijnaam van een onbekend wielrenner in die tijd), werkten overdag onder de blote hemel bij de stroperserij. Dat stro was gevorderd door de Wehrmacht. De WA stond erbij op wacht met het geweer in de aanslag. Zij weerden potentiële brandstichters.
Frans van Kemenade en Jan Schepens waren noodzakelijke arbeidskrachten voor het boerenbedrijf en daarom vrijgesteld van arbeidsinzet. Zij brachten het geperste stro met paard en wagen naar de Sonse haven voor transport naar Duitsland.
Onder hun wagen hadden ze beiden tussen de wielen een grote 'haverkist' getimmerd, die elk groot genoeg was voor twee onderduikers. Dagelijks brachten ze daarin de onderduikers van Hannes van de stroschuur naar het werk en terug. Op slinkse wijze werden ze steeds in en uit de kist gelaten. Merkwaardig genoeg zijn ze nooit gesnapt, ofschoon alles plaatsvond onder de ogen van de WA.
Onderling was er een grote samenwerking onder de Eckartse boeren.
Op dit roggeveld uit 1942 zien we v.l.n.r. met sikkel Bert van Diest sr., Huberta de Brouwer, Karel, Marinus, Johan, Toon en "Vrouw van Diest" met koffie. Op de voorgrond ligt Bert jr. van Diest met de sikkel en pikhaak. Van Tiel en dochtertje waren vaak geziene gasten. Ofschoon Van Diest een groot gezin had, kwam Huberta helpen.
Het gezin van Johannes L. (Bert) van Boxtel en J. M. (Martina) van Boxtel-Kantelberg kwam in juli 1940 op Eckartseweg 9 wonen. Het gezin had vijf kinderen: Bertus, Pieter, Mientje, Fransje en Riekie. De woning annex boerderij omvatte 15 hectare grond, een paardenstal, een varkensstal en een koeienstal. Verder stonden er twee schuren en een melkhok.
Bert van Boxtel had een nogal opvliegend karakter. Volgens de overlevering was hij snel aangebrand en drastisch in zijn optreden.
Volgens het boek over Eckart hielp hij tijdens de oorlogsjaren met het transporteren van piloten op weg naar België, Frankrijk en Spanje. Twee onderduikers, Harrie van der Aalst en Kees van de Plas, namen zijn boerentaak over, want vanwege het smokkelen en handelen had hij daar zelf geen tijd meer voor. Zijn naam komt echter niet voor op de officiële lijsten van de pilotenhulplijn, maar het zou goed kunnen dat hij een schakel was in het proces en tijdelijk onderdak gaf aan bemanningsleden van gecrashte vliegtuigen.
Naast zijn hulp aan piloten was hij ook een ritselaar. Het Eckartse boek schrijft over hem: "Het is gebeurd dat bevriende rechercheurs 's nachts op wacht stonden toen er gedorst ging worden, hetgeen verboden was. Twee paarden aan de boom dreven de rosmolen aan. Er werd daarbij zo hard op de paarden gescholden dat de buurmeisjes De Brouwer er wakker van werden. Eens werd er voor de kaasbereiding flessengist gemaakt, toen controleurs binnenvielen en Bert inrekenden. Op Berts geheime aanwijzing werd zijn vrouw Martina zó hevig ziek dat ze kreperend over de vloer rolde en iedereen in luidruchtig gehuil en gekrijs uitbarstte. Deze acuut ernstige toestand overziend werd Bert weer snel losgelaten. Uit voorzorg verscheen Bert steeds met een geweer aan de deur. Eens heeft hij een paar jongelui die hem kwamen bedreigen, een schot hagel in de broek gejaagd. Op zekere dag raakte een jonge koe in een sloot en stikte in de moer. 's Avonds werd het beest eruitgetrokken met het paard van Bert van Diest jr. Van Boxtel sneed de koe aan stukken, stopte die in melkbussen en verkocht ze de volgende dag aan de stadslui binnen zijn melkwijk, die hun oorlogsrantsoen maar wát graag aanvulden."
Hij en zijn gezin kwamen de oorlog goed door, en op 21 december 1944 vierden zij hun 12,5-jarig huwelijksfeest. "Dat God hen nog lang moge sparen, is de wens van hun dierbare kinderen."
Aan de Woenselsestraat 128 runden Cornelius (Cees) van den Akker en Johanna van Roy niet alleen een huishouden met vijftien kinderen, maar ook Wasserij Morgenlicht. Vanuit dit bedrijf verzorgden zij de was voor het St. Jozefdal. Tijdens de oorlogsjaren toonden zij grote moed door met hun wagen brood en varkensvlees te smokkelen. Overschotten aan levensmiddelen werden handig aan het zicht onttrokken door ze tussen de vuile was te verstoppen.
Deze spullen kwamen van de boerderij van Marinus van der Meijden en werden met paard en wagen bij arme gezinnen aan huis afgeleverd. Dit smokkelwerk was levensgevaarlijk en kon gevangenschap in een strafkamp opleveren. Politieman Koos Brands uit Woensel liep daarom steevast met zijn fiets aan de hand een eindje achter de wagen. Bij een eventuele aanhouding en controle door Duitse soldaten zou hij beweren dat hij de smokkelaars persoonlijk aan het opbrengen was.
Naarmate de oorlog langer duurde, werd de behoefte aan een stabiele voedsel- en kledingaanvoer groter. Om de land- en tuinbouw verder op te voeren kwam Noudje van de Steen in dienst. Voor de zorg van het grootvee en de varkens was al een knecht aanwezig, net als een schilder-verpleger en een kleermaker. Voor het knippen en scheren kwam Tjeuke Verbakel van de Eckartseweg eens per week langs. De dames van de Burgh in Stratum stopten de sokken. Groente, fruit en aardappelen waren er inmiddels voldoende. Mede omdat de Wehrmacht dit soort inrichtingen schuwde, kwamen de broeders, de boeren en de verpleegden niets tekort. De zelfvoorziening van het St. Jozefdal was prima in orde.
Inmiddels hadden de burgers de weg naar de Eckartse boeren en de aardappelvelden gevonden. De oogst werd rechtstreeks vanaf het veld verkocht. In september 1944 waren Bert van Diest en Bert van Diest jr. hier druk bezig met de verkoop van aardappelen. Op de achtergrond stond Dina van Diest met de portemonnee.
Vlak na de bevrijding lagen er op Eckart veel Engelse militairen ingekwartierd. Zolang ze van de meisjes afbleven, was er een grote, spontane kameraadschap waarbij goede sigaretten en chocolade gretig werden uitgewisseld voor boerenhartelijkheid. Allerlei militair materieel werd tot in detail bekeken en geroemd. Als het even kon, wilden de dorpsbewoners destijds graag op de foto met een van de stoere voertuigen die aan de bevrijding hadden meegewerkt. Jonge kerels voelden zich door de indrukwekkende uitstraling ervan al snel een ware held.
Op deze matgroene legermotor, een heuse Norton, zitten Jan Verhoeven voorop en Harrie van der Aalst achterop, poserend met een gezonde dosis trots.
Op deze foto, die de vriendschap met de geallieerden toont, staan Mien, Dora en Bets de Brouwer. Harrie van der Aalst leunt tegen de voorkant van een legervrachtwagen.
Voor de dames was er een einde gekomen aan hun vijfjarige zwangerschap. Onder hun schort droegen ze namelijk heel vaak een vastgebonden zakje. Daarin smokkelden ze graan, melk en andere levensmiddelen voor onderduikers, arme gezinnen en gezinnen waarvan de vader of echtgenoot naar Duitsland was weggevoerd. Bets werkte jarenlang als koerierster voor kapelaan Clemens Zigenhorn van de parochie van Onze-Lieve-Vrouw van Altijddurende Bijstand. Via hem smokkelde ze bonkaarten voor de onderduikers, die ze verborg in een groot misboek. Haar vader, Driek de Brouwer, deed dat soort dingen niet; daar was hij te bang voor. Wel liet hij zijn paarden onderduiken toen hij hoorde dat de Duitsers in de laatste maand voor de bevrijding paarden gingen vorderen.
Harrie van der Aalst kende minder angst. Vijf jaar lang werkte hij op de boerderij bij Bert van Boxtel. De rijksdaalder die hij daarmee verdiende, vulde hij flink aan met zakken aardappelen, rogge en vlees. Deze spullen bracht hij in het donker via de Eckartse brug en de Bogten naar 't Hofke in Tongelre, waar zijn familie woonde. Omdat hij bang was om naar Duitsland te worden afgevoerd, was hij in Eckart ondergedoken. Als er controleurs voor de Arbeitseinsatz kwamen, hield zijn moeder vol dat hij waarschijnlijk in Rusland zat. Hij heeft ook nog lange tijd bij Dries van de Spank geslapen, omdat Dries erg bang was voor de bombardementen en het lawaai tijdens de oorlogsnachten.
Toen de zweefvliegtuigen op 17 september 1944 in Son waren geland, begon de bevrijding van Eindhoven op 18 september '44. Op dinsdag 19 september was het overdag en in de avond warm. Plotseling hing de feestelijke lucht echter vol met Stuka's en Junkers die lichtkogels afwierpen. Daarna gierden driekwartier lang de bommen naar beneden. De hemel kleurde vuurrood tot de ochtend aanbrak, een ochtend die gitzwart bleek te zijn. Stoffige kruitdampen daalden neer in een regen van as, veroorzaakt door de vele branden. In de wijk Eckart vielen bommen in de tuinen van de Sagittalaan en de Perseuslaan, vlak langs de Sterrenlaan. Een paar koeien van Sjefke van Maasakkers, die in het "Ermesweike" van de St. Petruskerk stonden, werden dodelijk getroffen.
Aan de brug naar Soeterbeek werd vanaf dat moment een legende verbonden. Daarmee was de oorlog voor Eckart voorbij. In 1945 werd er een houten bordje aangebracht om dit historische feit te herdenken.
Feestgids Eckart bevrijding 1945
Op 19 september 1944 had de Duitse 107e Panzerbrigade Nuenen bereikt. Enkele voertuigen naderden Eindhoven via de Soeterbeekseweg. Vervolgens voerde de Duitse brigade een verkenningstocht uit naar de Eckartsche of Soeterbeeksche brug over de Dommel, die momenteel de Willem Hikspoorsbrug heet. Volgens de legende zou Willem Hikspoors, de tuinman van het landgoed 'Soeterbeek', de bezetter ervan overtuigd hebben dat de brug maar acht ton kon dragen, hetgeen overigens ook op de brug aangegeven stond. In het Brabants heeft hij gezegd: "da da brugske zo rot waar, lijk ‘n mispel" en "da ge dor mee hunne zwaore auto zeker nie over kost komme". Hierdoor zou het oprukken van de 107e Panzerbrigade richting het reeds bevrijde Eindhoven zijn voorkomen. Waarschijnlijk hebben de Duitsers zelf ook wel ingezien dat hun tanks te zwaar waren voor de brug. Britse troepen hebben de brug later wel gebruikt voor hun pantservoertuigen.
In 1945 is een houten bordje aangebracht met de tekst:
God spaard' ons ongedacht
Door deze zwakke brug
Haar zwakheid was haar kracht
Hier moest de Mof terug
In 1984 is bij de vernieuwing van de brug het woord "mof" vervangen door "vijand".
Extra
Landgoed Soeterbeek was in die tijd nauw verbonden met Kasteel Eckart via de Eckartsche brug, die overigens ook wel de Soeterbeeksche brug werd genoemd. Historisch gezien maakten de landgoederen onderdeel uit van hetzelfde gebied. Tussen 1899 en 1937 behoorden beide bezittingen nog toe aan dezelfde eigenaar.
Koningin Wilhelmina logeerde in maart 1945 op Soeterbeek. Smits van Oyen was namelijk vanaf 1936 kamerheer in buitengewone dienst van de koningin en trad in die periode (1944-1946) bovendien op als waarnemend Commissaris van de Koningin.
https://eindhoven4044.nl/3/Bevrijding_monumenten_eindhoven_.html
Namen van bewoners Eckart tot 1965
Een beschrijving van de geschiedenis van de Heerlijkheid Eckart met grote stappen, beginnend met de geologische beschrijving van het gebied in het Tertiair, om via de prehistorie, via het Stenen Tijdperk, de IJzertijd, na enkele bladzijden aan te komen bij de Middeleeuwen, waar de geschreven geschiedenis van Eckart begint. Ruim aandacht wordt besteedt aan de vele Heren van Eckart en de ontwikkeling van het gebied, dat tot rond 1960 landbouwgebied was en vanaf toen ontwikkeld werd tot de huidige stadswijken Oude Gracht Oost en de Luytelaar. Veel aandacht wordt besteed aan het gebied in de onmiddellijke omgeving van het kasteel Eckart, dat rond 1938 verpleeginrichting is geworden. Het boek is rijkelijk voorzien van foto’s en tekeningen.
Boek te bestellen o.a. bij: https://voke.nl/kasteel-eckart-2/boeken
VOKE, Vereniging Omwonenden Kasteel Eckart te Eindhoven website: https://voke.nl
Verantwoording
Teksten uit het boek Eindhoven, open venster op Eckart zijn omgezet naar hedendaags Nederlands en soms aangevuld met extra informatie. Alle foto's uit het boek zijn door Google Gemini omgezet in een tekening, in de stijl van de jaren veertig en uitgevoerd in sepiakleur.
De informatie over Eckart is op deze webpagina beperkt gebleven tot de bezettingsjaren; het oorspronkelijke boek biedt uiteraard nog veel meer historische achtergronden.
Meer informatie
Kapelaan Clemens Zigenhorn https://www.eindhoven4044.nl/9/kerken-verzet.html
Jhr. Mr. Jan Smits van Oijen (28-06-1888/10-06-1978) was Indische gijzelaar in Buchenwald, Haaren en Sint-Michielsgestel.
Brabantse provinciebestuurder, in de periode na de bevrijding waarnemend Commissaris van de Koningin, in de periode 1944-1946. Was vanaf 1931 vijfendertig jaar gedeputeerde van Noord-Brabant.